ECLI:NL:GHDHA:2025:1409
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens machtsmisbruik en niet te goeder trouw ontstane schulden
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek tot schuldsaneringsregeling (Wsnp) door de rechtbank Den Haag. De rechtbank oordeelde dat appellant niet te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek.
De schuldenlijst van appellant bedroeg circa €129.301,35, maar was waarschijnlijk niet volledig. Appellant had onder valse voorwendselen geld geleend van collega's en vluchtelingen bij een opvanglocatie waar hij als beveiliger werkte. Een deel van deze schulden was overgenomen door zijn voormalige werkgever. Daarnaast was er een substantiële lening van een familie van vluchtelingen, die volgens het hof niet te goeder trouw was ontstaan vanwege machtsmisbruik.
Appellant betwistte de beschuldigingen en voerde aan dat hij meerdere keren had afgelost op de lening van de familie en dat deze in goed overleg was aangegaan. Het hof oordeelde echter dat het lenen van grote bedragen van kwetsbare vluchtelingen terwijl hij als beveiliger werkzaam was, ernstig machtsmisbruik inhoudt en daarmee niet te goeder trouw was. Het beroep op de hardheidsclausule werd afgewezen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toepassing van de Wsnp af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af wegens niet te goeder trouw ontstane schulden en machtsmisbruik.