ECLI:NL:GHDHA:2025:1362

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
BK-24/996
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen met betrekking tot de verkoop van percelen grond en belastingschadevergoeding

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, die op 17 oktober 2024 een eerder bezwaar van belanghebbende tegen een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) ongegrond verklaarde. De Inspecteur had aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag opgelegd op basis van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 397.344 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.834. Tevens was er een belastingrente van € 3.174 in rekening gebracht. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, maar dit werd afgewezen. De Rechtbank oordeelde dat de vergoeding van € 105.000, die belanghebbende ontving van de gemeente als compensatie voor de belasting over de verkoop van twee percelen grond, terecht tot de winst uit onderneming werd gerekend. Belanghebbende was het hier niet mee eens en ging in hoger beroep. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en oordeelde dat de vergoeding van belastingschade verweven was met het ondernemingsvermogen van belanghebbende. Het Hof concludeerde dat de aanslag naar het juiste bedrag was vastgesteld en dat de vergoeding van € 105.000 aan belastingschade terecht in de winst uit onderneming was opgenomen. De uitspraak van het Hof werd op 16 juli 2025 openbaar gemaakt.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/996

Uitspraak van 16 juli 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: J.W. Anker)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 17 oktober 2024, nummer SGR 23/6885.

Procesverloop

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 397.344 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.834 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 3.174 belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het door belanghebbende gemaakte bezwaar tegen de aanslag en de beschikking belastingrente afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Er is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 138. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 16 april 2025. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende drijft een agrarische onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Het boekjaar van belanghebbendes agrarische onderneming loopt van 1 mei tot en met 30 april van elk jaar.
2.2.
In het kader van het project [naam project] van het [Waterschap] heeft belanghebbende meegewerkt aan de ruil van bij hem in eigendom zijnde gronden.
2.3.
In juni 2005 heeft belanghebbende de [gemeente] verzocht om mee te werken aan de verplaatsing van zijn agrarische onderneming naar een ander perceel. Dit verzoek werd afgewezen. De gemeente stemde wel in met een verplaatsing naar een ander perceel binnen de gemeentegrenzen. Hiertoe is op 30 juni 2011 een exploitatieovereenkomst gesloten tussen belanghebbende en de [gemeente] (de exploitatieovereenkomst). De exploitatieovereenkomst voorzag onder meer in een inspanningsverplichting voor de [gemeente] om een wijziging van het bestemmingsplan te bewerkstellingen die de verplaatsing van de agrarische onderneming van belanghebbende mogelijk moest maken.
2.4.
Het gewijzigde bestemmingsplan dat de verplaatsing van de agrarische onderneming van belanghebbende mogelijk moest maken, werd op 16 april 2014 vernietigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.5.
In een brief van 17 september 2014 van de [gemeente] aan belanghebbende is, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende opgenomen.
“Als bij u bekend heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 april 2014 bestemmingsplan " [naam bestemmingsplan] " vernietigd. De aanhoudende bezwaren vanuit de omgeving en signalen vanuit de gemeenteraad vormden, ondanks dat de gemeente de met u in 2011 gesloten overeenkomst kan en mag beëindigen, aanleiding om alternatieven voor de eerder beoogde bedrijfsverplaatsing te verkennen. Met u is afgesproken dat de mogelijkheden voor bedrijfsbeëindiging op termijn in combinatie met (compenserende) woningbouw zouden worden verkend. In deze brief, die wij tot het moment dat wij overeenstemming met u hebben bereikt in vertrouwelijkheid aan u voorleggen, gaan wij hierop in.
• Ter compensatie van de eerder beoogde bedrijfsvestiging, spant de gemeente zich ervoor in de bouw van twee woningen mogelijk te maken. De situering van deze woningen zal, in overleg met onder meer de provincie, nader moeten worden uitgewerkt. Vooralsnog gaan wij uit van twee aaneengesloten kavels van ongeveer 4000 m2 per kavel langs de [straat 1] , aangrenzend aan de bestaande woonpercelen;
• Uw huidige bedrijfsvestiging aan de [straat 2] mag nog 10 jaar door u worden voortgezet. In overleg met u zullen de mogelijkheden op het gebied van bouw-, milieu- of dierenwelzijnsregelgeving nader worden bekeken;
• De gemeente spant zich ervoor in om mogelijk te maken dat er, op het moment dat de bedrijfsvoering op de locatie [straat 2] wordt gestopt en de bedrijfslocatie wordt gesaneerd, twee burgerwoningen kunnen worden gerealiseerd (waaronder een omzetting van de huidige bedrijfswoning naar een burgerwoning);
• Wij zijn, gezien de geschiedenis, voornemens de bestemmingsplankosten om de woningen mogelijk te maken, voor onze rekening te nemen;
• Afspraken en voorwaarden zullen, voordat de benodigde bestemmingsplanprocedure wordt gestart, worden vastgelegd in een met u of te sluiten overeenkomst.
Met voorliggend alternatief worden zowel de door u geleden vermogensschade/gemist voordeel als de gemaakte kosten inzake de gelopen bestemmingsplanprocedure naar ons standpunt fatsoenlijk gecompenseerd. (…)”
2.6.
Belanghebbende is niet met het voorstel van de [gemeente] in de brief van 17 september 2014 akkoord gegaan.
2.7.
De [gemeente] is vervolgens met belanghebbende overeengekomen om twee percelen grond van belanghebbende te kopen voor € 350.000 en daarnaast een bedrag van € 311.309 aan belanghebbende te vergoeden. De afspraken zijn op 22 mei 2017 vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst (de vaststellingsovereenkomst). De vaststellingsovereenkomst luidt, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt, waarbij belanghebbende is aangeduid als Eigenaar:

“OVERWEGENDE DAT:

(…)
(I) de tussen de Eigenaar en de Gemeente bereikte overeenstemming is vastgelegd in de op 30 juni 2011 tussen Partijen gesloten exploitatieovereenkomst hierna te noemen de “
Exploitatieovereenkomst”, waarvan een afschrift als
Bijlage 1aan deze overeenkomst is gehecht. Door middel van de Exploitatieovereenkomst hebben Partijen beoogd de verplaatsing van het Agrarisch bedrijf van het Bedrijfsperceel naar het Perceel mogelijk te maken, hierna te noemen het “
Agrarisch Project”.
(…)
(L) bij uitspraak d.d. 16 april 2014 het Bestemmingsplan Bedrijfsverplaatsing door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hierna te noemen: de “Afdeling”, werd vernietigd. De Afdeling kwam kort gezegd tot het oordeel dat (i) de effecten van de geplande ontwikkelingen op het nabijgelegen Natura 2000-gebied onvoldoende waren onderzocht en (ii) in het Bestemmingsplan Bedrijfsverplaatsing onvoldoende was gewaarborgd dat meer dieren konden worden gehouden dan maximaal was toegestaan. De Afdeling overwoog daarbij dat ten behoeve van eventuele vervolgbesluitvorming ook de overige beroepsgronden worden beoordeeld en dat deze naar het oordeel van de Afdeling niet kunnen slagen, zodat herstel van de hiervoor onder (i) en (ii) genoemde gebreken in beginsel mogelijk zou kunnen zijn.
(M) op 6 mei 2014 het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente besloot een nieuw bestemmingsplan voor de realisatie van het Agrarisch project voor te bereiden met inachtneming van de onder (L) bedoelde uitspraak.
(N) op verzoek van de Gemeente in verband met gesprekken met de Eigenaar de voorbereidingen met betrekking tot een nieuw bestemmingsplan dat de verplaatsing van het Agrarisch bedrijf mogelijk zou maken tijdelijk zijn opgeschort.
(O) Partijen naderhand in onderling overleg hebben besloten af te zien van de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan dat de verplaatsing van het Agrarisch bedrijf mogelijk zou maken.
(P) de Gemeente een onafhankelijke deskundigencommissie heeft verzocht een schadetaxatie op te stellen. Daarnaast heeft de Gemeente in dit verband belastingadvies ingewonnen. Op grond hiervan heeft de Gemeente het door de Eigenaar te lijden nadeel als gevolg van het niet realiseren van het Agrarisch project vastgesteld.
(Q) de Gemeente in eerste instantie heeft voorgesteld het door de Eigenaar te lijden nadeel als gevolg van het niet kunnen realiseren van het Agrarisch project te compenseren door de toekenning van het recht tot het oprichten van twee (2) woningen op een in eigendom aan de Eigenaar toebehorend perceel grond te [woonplaats] .
(…)
(T) de Eigenaar kenbaar heeft gemaakt de voorgestelde compensatie, zoals hiervoor onder (Q) uiteengezet, niet voldoende te achten (…). (…)
(U) de Gemeente van oordeel is dat het door de Eigenaar te lijden nadeel als gevolg van het niet kunnen realiseren van het Agrarisch project kan worden gecompenseerd door de verkoop door de Eigenaar aan de Gemeente van een gedeelte van twee percelen grond van de Eigenaar aan de [straat 3] (ongenummerd) te [woonplaats] ter grootte van 8.000 (achtduizend) vierkante meter (m2) kadastraal bekend [gemeente] , sectie […] , nummers […] (gedeeltelijk) en […] (gedeeltelijk), (…) (de “Compensatiepercelen”) voor een koopsom ad EUR 350.000 (zegge: driehondervijftigduizend euro). De daarmee door de Gemeente verkregen planologische mogelijkheid tot het bouwen van twee (2) woningen wordt vervolgens door de Gemeente verplaatst naar een andere locatie in de [gemeente] , zodat de Compensatiepercelen derhalve uiteindelijk niet bestemd zijn (of worden) om te worden bebouwd. Daarnaast zal de Gemeente aan Eigenaar een bedrag van EUR 311.309 (zegge: driehonderdelfduizend driehonderdnegen euro) betalen ter zake van compensatie van het door de Eigenaar te lijden nadeel als gevolg van het niet kunnen realiseren van het Agrarisch project.
(…)
(W) Partijen de voorwaarden en bepalingen met betrekking tot de door hen bereikte overeenstemming omtrent (i) de beëindiging van de Exploitatieovereenkomst en (ii) de koop en verkoop van de Compensatiepercelen wensen vast te leggen in deze vaststellingovereenkomst.
(…)”
2.8.
Het in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen bedrag van € 311.309 (zie 2.7 onder (U)) is als volgt opgebouwd:
- bijkomende schade: € 101.309
- privé schadeloosstelling: € 105.000
- vergoeding belastingschade: € 105.000
2.9.
Tot de gedingstukken behoort de onder (P) van de vaststellingsovereenkomst genoemde schadetaxatie. In het taxatieverslag is, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende opgenomen:
“(...)
1.5
Opdrachtomschrijving
De taxatieopdracht (…) zoals door partijen vastgesteld op 20 maart 2015 luidt:
Wij verzoeken u deskundigen ter bepaling van de schade het navolgende vast te stellen:
1. De vermogenswaarde van de oude locatie aan de [straat 2] , gewaardeerd op basis van de vigerende agrarische bestemming en mogelijkheden conform de Natuurbeschermingswet (…) en voortzetting van het huidige agrarisch bedrijf (redelijke investeringen hierbij in acht nemende) voor een periode van maximaal 15 jaar, zonder rekening te houden met toekomstige bestemmingswijziging.
2. De vermogenswaarde van de kavels grond, veldkavels aan de [straat 1] te [woonplaats] , gewaardeerd op basis van de vigerende agrarische bestemming, zonder rekening te houden met een toekomstige bestemmingswijziging. Hierbij rekening houdende dat op deze locatie geen nieuw bouwblok voor het oprichten van een agrarisch bedrijf gerealiseerd zal kunnen worden.
3. De vermogenswaarde van de kavels grond aan de [straat 1] te [woonplaats] gewaardeerd onder de fictie dat het planologisch mogelijk zou zijn geworden hier een agrarisch bouwblok op te richten conform het (vernietigde) bestemmingsplan met de aanvullende restrictie dat op deze locatie maximaal 70 koeien en 49 stuks jongvee kunnen worden gehouden.
4. De vermogenswaarde van de kavel aan de [straat 2] , gewaardeerd onder de fictie dat het planologisch mogelijk zou zijn geworden dat de huidige bedrijfswoning zou zijn omgezet naar burgerwoning, conform het vernietigde bestemmingsplan.
5. Voor de waarden berekend onder 1, 2, 3 en 4 geldt als peildatum 1 april 2015.
6. De totaal te vergoeden vermogensschade bestaat uit het verschil tussen de waarden als berekend onder 3 en 4 en de waarden als berekend onder 1 en 2.
(…)”
2.10.
In het taxatieverslag wordt de totale vermogensschade berekend op € 435.000. Uiteindelijk zijn belanghebbende en de [gemeente] uitgegaan van een vermogensschade van € 455.000. De vergoeding van deze vermogensschade heeft plaatsgevonden middels de koopsom voor de twee percelen (€ 350.000) en de in het bedrag van € 311.309 begrepen vergoeding van belastingschade van € 105.000.
2.11.
De betalingen van de koopsom voor de twee percelen en het bedrag van € 311.309 hebben op 20 respectievelijk 28 juni 2017 plaatsgevonden.
2.12.
De twee percelen zijn bij notariële akte van 17 november 2017 overgedragen.
2.13.
De aangifte IB/PVV 2018 van belanghebbende vermeldt een inkomen uit werk en woning van € 278.243. Daarbij heeft belanghebbende het bedrag van € 105.000 aan belastingschade als overige vrijgestelde winstbestanddelen aangegeven en een bedrag van € 56.400 als landbouwvrijstelling verantwoord.
2.14.
De Inspecteur heeft met dagtekening 18 november 2022 de aanslag opgelegd. Daarbij is hij afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte door de overige vrijgestelde winstbestanddelen van € 105.000 tot de winst te rekenen en een bedrag van € 16.400 in plaats van € 56.400 onder de landbouwvrijstelling in aanmerking te nemen:

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“12. In artikel 3.8 van de Wet IB 2001 is bepaald dat winst uit onderneming het bedrag is van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming. Voor de beantwoording van de vraag of de vergoeding belastingschade tot de winst uit onderneming behoort is zodoende van belang vast stellen of deze vergoeding voortvloeit uit een ondernemingsactiviteit.
13. Het bedrag van € 105.000 is door de gemeente betaald als vergoeding van de over de verkoop van de percelen grond verschuldigde belasting. De percelen grond maakten ten tijde van de verkoop deel uit van het ondernemingsvermogen van eiser waardoor de vergoeding belastingschade is verweven met het ondernemingsvermogen. De vergoeding van € 105.000 kwalificeert daarom ook als een voordeel verkregen uit de onderneming. Verweerder heeft dit bedrag naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht in de heffing betrokken.
14. Eiser heeft ter zitting bevestigd dat hij zich niet beroept op het Besluit belastingschadevergoeding, [1] maar dat hij van mening is dat de vergoeding belastingschade is voldaan ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis waardoor deze vergoeding onbelast is. Dit betoog kan reeds niet slagen, omdat de rechtbank van oordeel is dat van de voldoening van een natuurlijke verbintenis geen sprake is. De vergoeding belastingschade vindt zijn oorsprong immer in de vaststellingsovereenkomst en dus is, anders dan een verplichting uit een natuurlijke verbintenis, nakoming van die verplichting rechtens afdwingbaar is. Dat de gemeente deze component van de vergoeding enkel in de vaststellingsovereenkomst heeft opgenomen uit moreel besef maakt dit niet anders.
(…)
17. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
[1] Besluit van 31 oktober 2001, nr. CPP 2001/1559M, geactualiseerd bij Besluit van 9 augustus 2023, Stcrt. 2023, 22953.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of het bedrag van € 105.000 aan belastingschade terecht in de winst uit onderneming is begrepen. De correctie ten aanzien van de landbouwvrijstelling is niet in geschil. Evenmin is in geschil dat de verkoop van de twee percelen en de vergoeding van het bedrag van belastingschade van € 105.000 fiscaal in het jaar 2018 in aanmerking moeten worden genomen.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag tot een vastgesteld naar een belastbare winst uit onderneming van € 312.643, tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep en tot vergoeding van het griffierecht voor het beroep en het hoger beroep.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het bedrag van € 105.000 aan belastingschade niet tot de winst uit onderneming behoort. Daartoe voert hij aan dat de betreffende belasting een privébelasting is waarmee hij geconfronteerd wordt na verkoop van de twee percelen. De vergoeding van het bedrag van € 105.000 aan belastingschade is toegekend om deze privé-uitgave te compenseren. Belanghebbende verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 1998, ECLI:NLHR:1998:AA2481, BNB 1998/160. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd betwist.
5.2.
Winst uit onderneming is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die onder welke naam en in welke vorm ook worden verkregen uit een onderneming (artikel 3.8 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001; Wet IB 2001). Een voordeel wordt verkregen uit een onderneming als het voortvloeit uit een transactie die plaatsvindt binnen de normale uitoefening van de onderneming. Als een voordeel niet voortvloeit uit de normale uitoefening van de onderneming wordt het toch tot de winst gerekend als de onderneming de belastingplichtige tot het behalen van het voordeel in staat heeft gesteld (vgl. HR 15 juni 1955, ECLI:NL:HR:1955:AY4121, BNB 1955/338).
5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de twee percelen die belanghebbende heeft verkocht aan de [gemeente] tot zijn ondernemingsvermogen behoorden en dat de met de verkoop van die percelen behaalde winst daarmee tot de winst uit onderneming van belanghebbende behoort. Het Hof onderschrijft dit standpunt van partijen onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 1955, ECLI:NL:HR:1955:AY4121, BNB 1955/338.
5.4.
Partijen verschillen voorts er niet over van mening dat het bedrag van € 105.000 aan belastingschade dat door de [gemeente] aan belanghebbende is vergoed, ziet op de inkomstenbelasting die belanghebbende verschuldigd was over de bij de verkoop van de twee percelen gerealiseerde winst. Die winst behoort tot de winst uit onderneming van belanghebbende. Dat heeft dan ook te gelden voor de vergoeding van de inkomstenbelasting over die winst. De onderneming van belanghebbende heeft hem immers niet alleen in staat gesteld om de twee percelen met winst te verkopen, maar ook om met de [gemeente] overeen te komen dat die hem zou compenseren voor de belasting over de met die verkoop behaalde winst.
5.5.1.
Hetgeen belanghebbende hiertegen inbrengt leidt niet tot een ander oordeel.
5.5.2.
Belanghebbende vergelijkt de prijs per m2 van een viertal markttransacties die de Inspecteur heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn correctie van het bedrag dat is vrijgesteld onder de landbouwvrijstelling (€ 5,05 per m2) met de prijs per m2 die resulteert uit de verkoop van de twee percelen voor € 350.000 (€ 40.436,14 per m2). Hieruit blijkt volgens belanghebbende dat het niet gaat om een reguliere verkooptransactie, maar een wens van de [gemeente] om de geleden vermogensschade te compenseren. De gemeente was zich ervan bewust dat belanghebbende over de verkoop van de percelen inkomstenbelasting moest betalen, maar volgens belanghebbende is de verschuldigde inkomstenbelasting echter een privébelasting. Compensatie van deze privé-uitgave is onbelast, aldus belanghebbende. Het klopt dat de door belanghebbende verschuldigde inkomstenbelasting door hem in privé verschuldigd is. Dit doet echter niet af aan het hiervoor gegeven oordeel dat het de onderneming van belanghebbende is geweest die hem in staat heeft gesteld de twee percelen te verkopen alsmede met de [gemeente] overeen te komen dat die hem de daarover verschuldigde belasting zou vergoeden en dat het voordeel daarom tot de winst uit onderneming behoort. Of de verkoopprijs van de twee percelen een reële waarde vertegenwoordigt en of de inkomstenbelastingschuld een privéschuld is, is voor dat oordeel niet van belang.
5.5.3.
Belanghebbendes stelling dat het de bedoeling van partijen was dat belanghebbende € 455.000 aan de verkoop van de twee percelen zou overhouden kan hem niet baten. De Belastingdienst is niet gebonden aan de bedoeling van partijen iets als een nettovergoeding aan te merken. Als belanghebbende en de gemeente hadden gewild dat belanghebbende na aftrek van inkomstenbelastingbelasting € 455.000 aan de verkooptransactie over zou houden, dan hadden zij de vergoeding van belastingschade van € 105.000 moeten bruteren met de daarover verschuldigde inkomstenbelasting.
5.5.4.
Voor zover belanghebbende zich erop beroept dat sprake is van een onbelaste vergoeding van belastingschade faalt dit betoog. Belanghebbende heeft niet méér of éérder inkomstenbelasting moeten betalen als gevolg van het handelen van derden, zoals bijvoorbeeld in het geval van een onteigening (vgl. HR 7 januari 1970, ECLI:NL:HR:1970:AB3994, BNB 1970/236) of in het geval van een beroepsfout van een notaris (HR 18 maart 1998, ECLI:NLHR:1998:AA2481, BNB 1998/160). Belanghebbende heeft als gevolg van eigen vrijwillig handelen ingestemd met de verkoop van de twee percelen en de daarbij komende vergoeding van € 105.000 (vgl. HR 26 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2542, BNB 1999/49). De belastingheffing die daaruit voortvloeit is geen schade die voor onbelaste vergoeding in aanmerking komt.
Slotsom
5.6.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, P.J.J. Vonk en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.
De griffier, de voorzitter,
J. Azmi Shenouda M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 16 juli 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.