De rechtbank Rotterdam beëindigde de schuldsaneringsregeling van appellant vanwege een boedelachterstand en vermeende tekortkomingen in de nakoming van verplichtingen, waaronder het privégebruik van een leaseauto en het wonen in een dure huurwoning. Appellant stelde dat zijn gezondheidsklachten en mantelzorgtaken het privégebruik van de auto rechtvaardigen en dat hij zich wel degelijk inspande om een goedkopere woning te vinden.
Het hof oordeelt dat de rechtbank ten onrechte schenkingen aan de partner heeft betrokken bij de berekening van het vrij te laten bedrag (vtlb), aangezien deze niet onder de beslagvrije voet vallen. Daarnaast heeft de bewindvoerder het vtlb niet tijdig aangepast voor de fiscale bijtelling van de auto, waardoor appellant onterecht geconfronteerd werd met een achterstand.
Hoewel appellant een beperkte achterstand heeft door verkeersboetes en het inkomen van zijn partner, is deze onvoldoende ernstig om de regeling tussentijds te beëindigen. Het hof acht appellant niet niet-saneringsgezind en erkent de moeilijke woningmarkt. Daarom vernietigt het hof het vonnis en verlengt de schuldsaneringsregeling met vier maanden, waarbij appellant de achterstand mag inlopen.