Rechthebbende was onder bewind gesteld wegens verkwisting en problematische schulden, waarbij de voormalig bewindvoerder was benoemd. Na opheffing van het bewind per 1 november 2023 vorderde rechthebbende een materiële en immateriële schadevergoeding wegens vermeende tekortkomingen in het bewind.
Rechthebbende stelde dat de voormalig bewindvoerder onvoldoende had geïnformeerd, slecht bereikbaar was geweest en het bewind eerder had kunnen beëindigen, wat leidde tot extra kosten en stress, onder meer door gemiste contacten met zijn dochter. De voormalig bewindvoerder betwistte dit en verzocht afwijzing van het hoger beroep.
Het hof oordeelde dat niet was komen vast te staan dat de voormalig bewindvoerder tekort was geschoten. Integendeel, hij had diverse financiële regelingen getroffen, contactmogelijkheden geboden en zorg gedragen voor schuldhulpverlening. De door rechthebbende genoemde kosten waren niet toerekenbaar aan de bewindvoerder. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de bestreden beschikking bekrachtigd.