Appellant liep tijdens de oudejaarsnacht 2021/2022 ernstig letsel op door een ontploffend stuk vuurwerk onder zijn rechtervoet, wat leidde tot amputatie. Hij stelde geïntimeerde aansprakelijk wegens het meenemen en afsteken van zwaar vuurwerk zonder waarschuwing, in strijd met afspraken.
De rechtbank Rotterdam wees de vordering af, omdat appellant onvoldoende onderbouwde dat geïntimeerde illegaal zwaar vuurwerk bij zich had. In hoger beroep betoogde appellant dat geïntimeerde elders zwaarder vuurwerk had aangeschaft en dat de bewijslast daarom moest worden omgekeerd.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat geïntimeerde zwaarder vuurwerk dan F2 bij zich had en dat het letsel door diens handelen was veroorzaakt. Camerabeelden en getuigenverklaringen boden geen steun voor de stellingen van appellant. De omkeringsregel werd niet toegepast omdat eerst onrechtmatig handelen moest worden vastgesteld.
Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en appellant veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.