In deze zaak stond een hoger beroep centraal tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam inzake een belastingrechtelijk geschil. Het Gerechtshof Den Haag had op 23 juli 2024 uitspraak gedaan en bepaalde dat de Staat wettelijke rente moest vergoeden over een proceskostenvergoeding die niet tijdig was betaald.
Later werd geconstateerd dat het bedrag waarover de wettelijke rente werd berekend onjuist was vermeld in het dictum van het hof. Het hof corrigeert dit door het bedrag van € 333,33 aan te passen naar € 379,50, conform het dictum van de Rechtbank.
De hersteluitspraak van 22 januari 2025 corrigeert deze fout en bevestigt dat de Staat wettelijke rente verschuldigd is over het correcte bedrag vanaf het moment dat de betalingstermijn van vier weken na de uitspraak van de Rechtbank was verstreken tot aan de volledige betaling. Hiermee wordt de rechtszekerheid en correcte toepassing van het procesrecht gewaarborgd.