In deze zaak vordert de vader omgang met zijn erkende minderjarige kind, geboren in 2018. De moeder heeft statusvoorlichting gegeven en hulpverleningstrajecten gevolgd, maar de minderjarige kampt met ontwikkelingsachterstanden en fysieke beperkingen. De moeder heeft onvoldoende draagkracht om de minderjarige te ondersteunen in contact met de vader.
Het hof overweegt dat het recht op omgang volgens artikel 1:377a BW bestaat, tenzij zwaarwegende gronden voor ontzegging aanwezig zijn. De situatie is complex door de ontwikkelingsproblemen van het kind en de beperkte draagkracht van de moeder. Forceren van contact zou de draagkracht van de minderjarige te boven gaan en is niet in haar belang.
Het hof bekrachtigt daarom de eerdere beschikking die omgang afwijst, maar benadrukt dat het recht op omgang blijft bestaan. De moeder wordt aangemoedigd het hulpverleningstraject voort te zetten en na afronding de ontwikkeling van de banden tussen vader en kind te bevorderen.