ECLI:NL:GHDHA:2024:698
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling relatieve bevoegdheid rechtbank Rotterdam bij milieumisdrijf met rubbergranulaat
De zaak betreft een hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam die zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van een milieumisdrijf gepleegd door een gemeente in 2020. De gemeente wordt verdacht van het overtreden van artikel 13 van Pro de oude Wet bodembescherming door het exploiteren van voetbalvelden met mogelijk vervuilend rubbergranulaat zonder de nodige maatregelen.
De rechtbank Rotterdam vond zich onbevoegd omdat het feit en de verdachte buiten haar arrondissement vielen. De officier van justitie bij het functioneel parket had de zaak echter aan deze rechtbank gebracht, die als concentratierechtbank geldt voor bepaalde milieumisdrijven. De raadsman van de verdachte voerde aan dat het delict te gering van ernst was om concentratierechtbank te zijn.
Het hof oordeelt dat de beoordeling van bevoegdheid niet los gezien kan worden van de context van het landelijk onderzoek 'Viool' naar bodemvervuiling door rubbergranulaat. Dit onderzoek, geleid door het functioneel parket, vereist een hoge mate van deskundigheid en valt binnen de criteria van het Besluit van 6 mei 2013 voor concentratierechtbanken.
Daarom is de rechtbank Rotterdam wel bevoegd en wordt het vonnis van onbevoegdheid vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar de economische meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam voor inhoudelijke behandeling.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van onbevoegdheid en wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam voor inhoudelijke behandeling.