Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2024:535

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2024
Publicatiedatum
8 april 2024
Zaaknummer
BK-23/406 en Bk-23/407
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 lid 1 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:109 AwbWet waardering onroerende zaken 2021
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht in belastingzaak

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken 2021. De griffierechtennota en een betalingsherinnering werden aan de gemachtigde van belanghebbende verzonden, met duidelijke informatie over het te betalen bedrag en de betalingstermijn.

Ondanks ontvangst van deze stukken is het griffierecht niet voldaan. De gemachtigde stelde ter zitting dat het ontbreken van het adres van het betreffende pand op de nota griffierecht betaling onmogelijk maakte. Het hof oordeelt echter dat geen wettelijke verplichting bestaat om het adres op de nota te vermelden en dat het adres wel duidelijk uit andere stukken blijkt.

Daarom is geen reden om te veronderstellen dat belanghebbende niet in verzuim was. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is op 3 april 2024 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-23/406 en BK-23/407

Uitspraak van 3 april 2024

in het geding tussen:

[X] B.V., te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: D.A.N. Bartels)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 18 april 2023, nummers SGR 22/949 en SGR 22/950.

Procesverloop in hoger beroep

1.1.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van belanghebbende is op 16 januari 2024 een nader stuk ingekomen.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 21 februari 2024. De gemachtigde is verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Bij brief van 3 mei 2023 is aan de gemachtigde bevestigd dat het hogerberoepschrift is ontvangen. In de aanhef van de brief is opgenomen:
“datum 3 mei 2023
(…)
ons kenmerk BK-SGR 23/00406 en BK-SGR 23/00407
(…)
procedure Hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats 1] tegen
Heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag te Den Haag
nr.aanslag/beschikking [adres] te [woonplaats 2] e.a.
(…)
betreffende Uitspraak Rechtbank Den Haag inzake Beschikking Wet
waardering onroerende zaken 2021 e.a.
onderwerp Bevestiging ontvangst hoger beroepschrift “
2.2.
Bij brief van 3 mei 2023 is aan de gemachtigde de gelegenheid gegeven het hoger beroep aan te vullen. In de aanhef is vermeld:
“datum 3 mei 2023
(,,,)
ons kenmerk BK-SGR 23/00406 en BK-SGR 23/00407
(…)
procedure Hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats 1] /
Heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag
nr.aanslag/beschikking [adres] te [woonplaats 2] e.a.
betreffende Beschikking Wet waardering onroerende zaken 2021 e.a.
2.3.
Voorts heeft de griffier op 6 juni 2023 een brief gezonden naar de gemachtigde. In de aanhef van deze brief is opgenomen:
“datum (…)
onderdeel doorkiesnummer ons kenmerk BK-SGR 23/00406 en BK-SGR 23/00407
uw kenmerk bijlage(n)
procedure van nr. aanslag/beschikking [belanghebbende] te [woonplaats 1] [adres] te [woonplaats 2]
betreffende Beschikking Wet Waardering onroerende zaken 2021”
2.4.
Op 10 mei 2023 is aan belanghebbende een nota griffierecht verzonden aan het adres van de gemachtigde: [naam en adres] . De nota griffierecht vermeldt onder meer:
“U heeft een beroepschrift ingediend.
In verband daarmee is een griffierecht verschuldigde van € 548,00. Het bedrag moet uiterlijk op 07-06-2023 zijn bijgeschreven op rekening: [bankrekeningnummer] , ten name van Ministerie van Justitie en Veiligheid, Griffie LDCR (…).
Als het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven, kan uw beroepschrift niet-ontvankelijk worden verklaard; dat wil zeggen dat uw beroepschrift niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen.”
In de rechterkantlijn van de nota griffierecht is de volgende informatie opgenomen:
“Betalingskenmerk
[…]
Debiteurnummer
[…]
Kenmerk van uw zaak:
BK-SGR 23/00406
[belanghebbende]
vs HA gemeente Den Haag
Gerechtshof Den Haag”
2.5.
De betalingsherinnering ter zake van de eerder verzonden nota griffierecht is op 8 juni 2023 per aangetekende post verzonden aan het voornoemde adres van de gemachtigde. Op deze nota is onder meer het volgende vermeld:
“Ik deel u nu mee dat u het bedrag binnen vier weken na dagtekening van deze brief moet hebben overgemaakt op rekening: (…)
Als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is overgemaakt op de genoemde bankrekening, loopt u het risico dat uw beroepschrift niet ontvankelijk verklaard wordt. Hierna krijgt u geen nieuwe gelegenheid om het griffierecht te betalen.”
In de rechterkantlijn van de nota griffierecht is de volgende informatie opgenomen:
“Betalingskenmerk
[…]
Debiteurnummer
[…]
Kenmerk van uw zaak:
BK-SGR 23/00406
[belanghebbende]
vs HA gemeente Den Haag
Gerechtshof Den Haag”
Blijkens door de griffier bij PostNL ingewonnen en aan het dossier toegevoegde informatie is deze betalingsherinnering op 13 juni 2023 afgehaald bij een PostNL-punt en is voor ontvangst getekend. De informatie van PostNL is aan de gemachtigde verstrekt bij brief van 9 februari 2024.
2.6.
Uit de administratie betreffende de bankrekening [bankrekeningnummer] , ten name van Ministerie van Justitie en Veiligheid, Griffie LDCR blijkt dat het verschuldigde griffierecht van € 548 niet is voldaan.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

3.1.
Op grond van artikel 8:41, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 8:108 en 8:109, Awb wordt van de indiener van een hoger beroep griffierecht geheven. De termijn voor betaling van het griffierecht bedraagt vier weken, welke aanvangt met ingang van de dag na die van verzending van de nota griffierecht. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.2.
Vast staat dat belanghebbende de nota griffierecht en de betalingsherinnering heeft ontvangen. Daarin is gewezen op de betalingstermijn en de mogelijkheid dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verschuldigde griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven op de in die brief vermelde rekening. Het verschuldigde griffierecht is niet, ook niet voor een deel, voldaan.
3.3.
De gemachtigde heeft ter zitting gesteld dat hij de nota’s griffierecht doorstuurt naar zijn cliënt en dat die zelf het griffierecht moet betalen, Omdat op de nota griffierecht en de betalingsherinnering het adres van het desbetreffende object ontbreekt, kan zijn cliënt de nota griffierechten niet betalen.
3.4.1.
Bij de beoordeling van het geschil is van belang dat in zowel de brief met de ontvangstbevestiging van het hogerberoepschrift (zie 2.1.) als op de nota griffierecht (zie 2.5.) belanghebbendes naam en het kenmerknummer zijn vermeld. In de ontvangstbevestiging is het adres van de betreffende onroerende zaak vermeld, in de nota griffierecht is dit adres niet vermeld.
3.4.2.
Anders dan belanghebbende kennelijk meent, verplicht geen rechtsregel tot het vermelden van het adres van de betreffende onroerende zaak op de nota griffierecht. Bovendien blijkt uit de ontvangstbevestiging, gelezen in samenhang met de nota griffierecht, overduidelijk het adres van de betreffende onroerende zaak.
3.4.3. .
Daarom volgt het Hof belanghebbende niet in haar standpunt dat haar, omdat het adres van het object niet op de nota’s is vermeld en er maar één zaaknummer op de nota’s is vermeld, niet kan worden verweten dat het griffierecht niet is betaald.
3.5.
Nu geen feiten en/of omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ten aanzien van de betaling niet in verzuim is geweest, dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Proceskosten

Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 3 april 2024 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.