Belanghebbende, eigenaar van een woning te [woonplaats], maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde vastgesteld door de Heffingsambtenaar. In bezwaar werd de waarde verminderd en een kostenvergoeding toegekend voor het taxatierapport, dat een beperkte inpandige opname vermeldde vanwege Covid-19.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond voor de WOZ-waarde maar vernietigde het besluit over de kostenvergoeding en veroordeelde de Heffingsambtenaar tot betaling van proceskosten inclusief een vergoeding voor het taxatierapport gebaseerd op vier uren. De Heffingsambtenaar stelde in hoger beroep dat de vergoeding ten onrechte was gebaseerd op vier uren en dat slechts twee uren passend waren, omdat volgens hem geen inpandige opname had plaatsgevonden.
Het Hof oordeelde dat uit het taxatierapport blijkt dat wel degelijk een beperkte inpandige opname heeft plaatsgevonden, en dat de Rechtbank daarom terecht uitging van vier uren voor de kostenvergoeding. Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar werd ongegrond verklaard. Het Hof zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en legde een griffierecht van € 548 op aan de Heffingsambtenaar.
De uitspraak bevestigt de Rechtbankuitspraak en benadrukt dat een beperkte inpandige opname als inpandige opname geldt voor de kostenvergoeding. Het Hof kan geen hogere proceskostenvergoeding toekennen omdat belanghebbende geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.