Partijen hebben gezamenlijk een woning gehuurd, maar leefden niet samen en de huurovereenkomst stond vanaf juni 2023 alleen op naam van één partij. De vordering betrof betaling door appellante van de helft van de huurpenningen aan geïntimeerde.
Het hof oordeelt dat de hoofdelijk aansprakelijkheid jegens verhuurder niet automatisch leidt tot een draagplicht tussen partijen. Appellante stelde dat zij nooit met geïntimeerde was overeengekomen samen te wonen of de huur gezamenlijk te dragen, omdat de huur feitelijk door een derde werd betaald.
Geïntimeerde kon onvoldoende onderbouwen waarop zijn vordering tot betaling van de helft van de huurpenningen was gebaseerd. Ook ontbrak een spoedeisend belang en was het restitutierisico relevant. Daarom werd de vordering in kort geding afgewezen en het vonnis van de kantonrechter vernietigd voor zover het de geldvordering betrof.
De proceskosten van het hoger beroep werden aan geïntimeerde opgelegd. De overige beslissingen van de kantonrechter werden bekrachtigd.