Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 9 oktober 2024
[X] te [Z] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar,
Procesverloop
[adres 1]
[adres 3]
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende is eigenaar van een herenhuis uit 1905 dat in 2019 brand- en mogelijk funderingsschade opliep. De Heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2020 vast op €1.279.000, gebaseerd op een taxatierapport met vergelijkingsobjecten en correcties voor onderhoudstoestand.
De Rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, omdat de Heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld en voldoende rekening was gehouden met de slechte staat van de woning, waaronder de brandschade.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de Rechtbank een motiveringsgebrek had en dat de waarde te hoog was vastgesteld, onder meer omdat de helft van de woning onbewoonbaar was. Het Hof oordeelde dat de Rechtbank voldoende had gemotiveerd dat de brandschade was meegewogen in de waardering en dat de correcties in de taxatie adequaat waren. Belanghebbendes onderbouwing van de schade en waardevermindering was onvoldoende.
Het Hof concludeerde dat de vergelijkingsobjecten geschikt waren en dat de WOZ-waarde terecht was vastgesteld. De stelling dat de woning slechts de helft waard zou zijn vanwege onbewoonbaarheid werd verworpen omdat dit niet met stukken was onderbouwd en de waarde van de grond onaangetast bleef.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €1.279.000 bevestigd.