ECLI:NL:GHDHA:2024:2012

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2024
Publicatiedatum
29 oktober 2024
Zaaknummer
200.346.905-01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 29a RvArt. 254 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afwijzing ontruiming huurwoning na geweldsincident wegens ontbreken spoedeisend belang

In deze zaak ging het om een kort geding waarin Hef Wonen vorderde dat de huurders, [appellant 1] en [appellant 2], onmiddellijk zouden worden ontruimd na een incident waarbij [appellant 1] zich agressief had gedragen tegenover een medewerkster van de verhuurder. Het hof oordeelde dat hoewel het gedrag van [appellant 1] op 19 juli 2024 niet acceptabel was, er geen sprake was van een acute en onhoudbare situatie die onmiddellijke ontbinding en ontruiming rechtvaardigde.

Het hof nam mee dat het incident eenmalig was en dat [appellant 1] sindsdien geen agressief gedrag meer had vertoond. Bovendien was er een strafrechtelijke regeling getroffen waarbij de zaak niet vervolgd zou worden onder een proeftijd van een jaar. De huurders hadden de huur betaald en er was geen sprake van overlast of criminele activiteiten.

Daarnaast speelde mee dat de huurders, waaronder een hoogzwangere vrouw en een kind, een groot belang hadden bij het behoud van de woning. De verhuurder had voldoende gelegenheid om haar vordering in een bodemprocedure te laten beoordelen. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en wees de vorderingen van Hef Wonen af, waarbij de verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen tot onmiddellijke ontbinding en ontruiming van de huurwoning worden afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.346.905/01
Zaaknummer rechtbank : 11260014 VV EXPL 24-399
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op grond van artikel 29a Rv op de zitting van 29 oktober 2024
in het incident en de hoofdzaak in het kort geding van
[appellant 1],
wonend in [woonplaats 1], en
[appellant 2],
wonend in [woonplaats 1] of [woonplaats 2]
appellanten,
advocaat: mr. M.J.S. Spanjersberg, kantoorhoudend in Zoetermeer,
tegen
Stichting Hef Wonen,
gevestigd in Rotterdam,
verweerster,
advocaat: mr. R. van der Hoeff, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna enerzijds [appellant 1], [appellant 2] en samen [appellant 1] c.s. en anderzijds Hef Wonen.
Het hof heeft kennis genomen van:
  • de stukken uit de eerste aanleg die hebben geleid tot het vonnis in kort geding van 20 september 2024,
  • de “spoedappel dagvaarding met incidentele vordering tot schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad” (met producties) en
  • de “memorie van antwoord in het incident alsmede de hoofdzaak”.
Daarna zijn alle partijen op de mondelinge behandeling verschenen. Zij hebben daar hun standpunten toegelicht, gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van het hof beantwoord. Daarna heeft het hof de zitting voor korte tijd geschorst en zich beraden. Na hervatting van de zitting heeft het hof met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de hierna volgende mondelinge uitspraak gedaan.

1.Inleiding

1.1
Het hof heeft zich over de zaak beraden en komt, alles afwegende, tot een andere uitkomst dan de kantonrechter.
1.2
Voor het hof staat namelijk op grond van alle omstandigheden die hier in dit kort geding naar voren zijn gekomen,
nietvast dat Hef Wonen tegenover de belangen van [appellant 1] c.s. bij behoud van hun woning, een zodanig spoedeisend belang heeft bij een onmiddellijke ontbinding en ontruiming van de woning door [appellant 1] c.s. (en ook niet bij een andere onmiddellijke voorziening bij voorraad zoals bedoeld in artikel 254 Rv Pro [1] ), dat een beslissing in een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Het hof komt tot dit oordeel vanwege het volgende.

2.Beoordeling

2.1
[appellant 1] en [appellant 2] huren de woning sinds 26 februari 2020, dus al meer dan vier jaren.
2.2
Het hof oordeelt voorshands wel dat [appellant 1] zich op 19 juli 2024 niet heeft gedragen zoals van een goed huurder mag worden verwacht. Die dag heeft er een incident tussen hem en een medewerkster van Hef Wonen plaatsgevonden waarbij [appellant 1] de medewerkster achterna is gelopen nadat zij aan de deur van de woning was geweest, haar voortdurend van dichtbij filmde zonder gehoor te geven aan haar verzoeken daarmee te stoppen, haar de toegang tot de uitgang (tijdelijk) blokkeerde en haar zelfs naar buiten achterna liep. Daarbij werd ook (van beide kanten) hard geduwd en geschopt.
Criteria voor ontbinding en kort geding
2.3
Uit artikel 6:265 BW Pro vloeit voort dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verplichtingen kan leiden tot ontbinding van de overeenkomst, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling van de vraag of ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is, zijn alle omstandigheden van belang.
2.4
Voor toewijzing van een ontbindingsvordering in kort geding zijn bovendien nodig feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist.
Is een onmiddellijke voorziening vereist gelet op de wederzijdse belangen?
2.5
Hef Wonen heeft aangevoerd dat zij er een spoedeisend belang bij heeft dat haar medewerkers worden gevrijwaard van fysiek geweld – hetgeen Hef Wonen in geen enkel geval accepteert - en dat zij hun werk veilig kunnen doen en dat er inmiddels sprake is van een acute en onhoudbare situatie waardoor ingrijpen noodzakelijk is.
2.6
Echter, dat er op dit moment sprake is van een acute en onhoudbare situatie, dáárvoor zijn in deze zaak vooralsnog onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gekomen:
- Niets wijst erop dat [appellant 1] zich vóór of na het incident op 19 juli 2024 ongepast jegens (medewerkers van) Hef Wonen (of een andere verhuurder) heeft gedragen.
Er is niet naar voren gekomen dat [appellant 1] (of [appellant 2]) eerder agressief of intimiderend handelden.
  • Na het incident zijn namens Hef Wonen aannemers naar de woning gekomen voor herstelwerkzaamheden. Dat is telkens gewoon ordentelijk verlopen; ook aangaande het maken van de afspraken daartoe gedroeg [appellant 1] zich correct.
  • [appellant 1] is naar aanleiding van het incident van 19 juli 2024 als verdachte aangemerkt waarop is besloten dat de zaak niet strafrechtelijk zal worden vervolgd onder de voorwaarde dat [appellant 1] zich gedurende een proeftijd van een jaar niet aan enig strafbaar feit zal schuldig maken. Daarmee is een stok achter de deur gegeven om het incident echt éénmalig te laten (in elk geval een jaar).
  • [appellant 1] c.s. heeft de huur betaald.
  • Er is – buiten het incident op 19 juli 2024 – geen sprake van hinder, overlast, drugsgebruik of (andere) criminele activiteiten in of rond de woning door toedoen van [appellant 1] c.s.
2.7
Gelet hierop is op dit moment geen sprake van de acute en onhoudbare situatie waarvoor direct ingrijpen noodzakelijk is, zoals Hef Wonen als haar spoedeisend belang heeft aangevoerd. Hef Wonen heeft voldoende gelegenheid om de zaak in een bodemprocedure aan de rechter voor te leggen voor een beslissing over haar ontbindingsvordering, zonder ondertussen haar medewerkers bloot te stellen aan geweld door [appellant 1] c.s. of aan een onveilige werksituatie rondom deze huurwoning.
2.8
Voor het hof is voldoende aannemelijk dat [appellant 1] c.s. belang hebben bij voortzetten van de huurovereenkomst voor deze woning hangende een bodemprocedure. [appellant 1] woont in de huurwoning en heeft een zoon (van nu 13 jaar oud) waarover hij gezamenlijk gezag heeft met diens moeder en die in het kader van een omgangsregeling wekelijks enkele dagen en om de week in het weekend bij hem in de huurwoning verblijft. [appellant 1] heeft geen zicht op een eigen, andere woning. Voor wat betreft [appellant 2] staat voor het hof in dit kort geding voldoende vast dat zij samen met [appellant 1] bij hem in de huurwoning woont en dat zij momenteel hoogzwanger van hem is (de baby komt volgende maand). Zij kan terecht in haar woning in Vlaardingen, maar dat is een studio, waar [appellant 1], mede gelet op zijn medische situatie, moeilijk bij kan in wonen. Bovendien kan hij daar gelet op de komende gezinsuitbreiding, zeer moeilijk uitvoering geven aan zijn verplichtingen als vader en aan het gezinsleven.

3.Conclusie

3.1
De conclusie is dat het hof de vorderingen van Hef Wonen in dit kort geding alsnog zal afwijzen en het vonnis van de kantonrechter vernietigen.
3.2
Bij die stand van zaken hebben partijen geen belang bij een afzonderlijke beoordeling van de grieven en de vorderingen in het incident over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad en zekerheidstelling.
3.3
Het hof zal Hef Wonen als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van dit kort geding. Deze begroot het hof op € 408,- voor de procedure bij de kantonrechter (twee punten ontruimingstarief) en op € 349,- voor het griffierecht plus € 2.428,- (2 punten tarief II) voor het salaris in hoger beroep. Hef Wonen zal deze kosten binnen veertien dagen moeten voldoen en anders rente erover moeten gaan betalen.

4.Beslissing

Het hof:
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, van 20 september 2024;
en, opnieuw recht doende:
- wijst de vorderingen af en
- veroordeelt Hef Wonen in de kosten van deze kortgedingprocedure, tot op vandaag aan de zijde van [appellant 1] c.s. begroot op € 408,- voor de procedure in eerste aanleg en op € 2.777,- voor de procedure in hoger beroep, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na vandaag indien zij de kosten dan nog niet betaald heeft;
- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze uitspraak is op 29 oktober 2024 mondeling in het openbaar gedaan door mrs. G. Dulek-Schermers, A.M. Voorwinden en C.J. Loggen-ten Hoopen, in aanwezigheid van de griffier O.R.D. van Zeist.
Dit proces-verbaal van deze uitspraak is op 29 oktober 2024 ondertekend door de voorzitter, mr. G. Dulek-Schermers.

Voetnoten

1.zoals bedoeld in artikel 254 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering