ECLI:NL:GHDHA:2024:1802
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bevoegdheid Nederlandse rechter voor aansprakelijkheidsbeperking binnenvaartschip na schade in België
De zaak betreft een aanvaring van het binnenvaartschip [naam schip] op 29 juni 2023 tegen de Humbeekbrug in België, waarbij aanzienlijke schade ontstond en het scheepvaartverkeer werd gestremd. De Vlaamse Waterweg (DVW), beheerder van het Zeekanaal Brussel-Schelde, stelde [naam schip] Shipping c.s. aansprakelijk en voerde aan dat de Nederlandse rechter onbevoegd was om het aansprakelijkheidsbeperkingfonds vast te stellen.
De rechtbank Rotterdam wees het verzoek van [naam schip] Shipping c.s. toe om het aansprakelijkheidsbedrag vast te stellen en een fonds te vormen. DVW ging in hoger beroep met het argument dat fondsvorming alleen in de verdragsstaat van het eerste aanhangig gemaakte rechtsgeding mogelijk is en dat het toetsmoment het tijdstip van indiening van het verzoek moet zijn.
Het hof verwierp deze stellingen en oordeelde dat art. 12 lid 1 CLNI Pro 2012 geen beperking inhoudt dat fondsvorming slechts in de eerste verdragsstaat kan plaatsvinden. Het hof bevestigde dat fondsvorming ook mogelijk is in andere verdragsstaten waar een rechtsgeding aanhangig is of kan worden gemaakt, en dat het toetsmoment de beoordeling van het verzoek is. De beschikking van de rechtbank Rotterdam werd bekrachtigd en DVW werd veroordeeld in de kosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam en bevestigt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter voor fondsvorming en aansprakelijkheidsbeperking.