ECLI:NL:GHDHA:2024:1532
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen te hoge WOZ-waarde van tussenwoning met schuur
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning met een schuur van circa 50 jaar oud, die zich in slechte staat bevindt. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning vast op €465.000, waarbij aan de schuur een waarde van €12.500 werd toegekend. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waardering, maar dit werd door de heffingsambtenaar en de rechtbank afgewezen.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de waarde van de schuur te hoog was vastgesteld vanwege de slechte staat van onderhoud. De heffingsambtenaar voerde aan dat de KOUDV-factoren op een 'drie' konden worden gesteld en dat een lagere waardering van de schuur geen invloed zou hebben op de totale waarde. Het hof oordeelde dat de staat van onderhoud zoals door belanghebbende geschetst aannemelijk is en dat de heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan zijn bewijslast.
Het gerechtshof vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar en stelde de waarde van de onroerende zaak in goede justitie vast op €456.000. Tevens werd de aanslag dienovereenkomstig verminderd en werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en reiskosten van belanghebbende.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de tussenwoning wordt vastgesteld op €456.000, lager dan de oorspronkelijke €465.000 vanwege een te hoge waardering van de schuur.