Deze zaak betreft het hoger beroep van een vrouw tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam die haar veroordeelde tot medewerking aan een DNA-onderzoek om het vaderschap van een minderjarige vast te stellen. De rechtbank had tevens dwangsommen en lijfsdwang opgelegd bij het niet meewerken.
De vrouw ervaart psychische klachten door het contact met de man rond de conceptie en is financieel in nood door de verbeurde dwangsommen. De man wil zo snel mogelijk duidelijkheid over het vaderschap om de omgangsregeling te kunnen hervatten. De bijzondere curator benadrukt het belang van de minderjarige om te weten wie haar biologische vader is.
Het hof heeft het schorsingsverzoek van de vrouw toegewezen, omdat het belang van de vrouw bij het staken van de tenuitvoerlegging zwaarder weegt dan het belang van de man en de minderjarige bij onmiddellijke uitvoering. De dwangmiddelen hebben ingrijpende persoonlijke en financiële gevolgen voor de vrouw en daarmee ook voor de minderjarige.
De beschikking van de rechtbank blijft geschorst totdat het hof in de hoofdzaak heeft beslist. Dit betekent dat de man de dwangsommen en lijfsdwang voorlopig niet kan uitvoeren. De beslissing is op 31 maart 2023 mondeling uitgesproken en op 12 april 2023 geminuteerd.