ECLI:NL:GHDHA:2023:549
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming verplichtingen
Appellant is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam onder de schuldsaneringsregeling geplaatst, die op verzoek van de bewindvoerder tussentijds is beëindigd wegens onvoldoende nakoming van verplichtingen. Appellant stelde hoger beroep in, maar de ontvankelijkheid werd aanvankelijk betwist vanwege een vermeende te late indiening van het beroepschrift. Het hof stelde vast dat door een landelijke netwerkstoring het beroepschrift tijdig was ingediend, waardoor appellant ontvankelijk werd verklaard.
Inhoudelijk voerde appellant aan dat hij door fysieke en psychische klachten niet in staat zou zijn te werken en dat hij wel degelijk sollicitaties had verricht. De bewindvoerder stelde echter dat appellant zijn informatieverplichtingen niet nakwam, onvoldoende solliciteerde en onduidelijkheid bestond over zijn woonsituatie en schulden.
Het hof oordeelde dat appellant structureel tekort was geschoten in zijn verplichtingen, waaronder het niet overleggen van bankafschriften, inkomensspecificaties en andere gevraagde documenten. Ook was er sprake van een boedelachterstand en nieuwe schulden zonder onderbouwd inloopvoorstel. Het plan van aanpak van appellant was onvoldoende concreet en onderbouwd.
Gezien deze tekortkomingen, die toerekenbaar zijn en samen genomen de voortzetting van de regeling niet rechtvaardigen, werd het bestreden vonnis van tussentijdse beëindiging bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming van verplichtingen.