De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden wegens wederrechtelijk verblijf op het besloten terrein van de CCIS containerterminal in Rotterdam, verkregen door inklimming. Het Openbaar Ministerie stelde hoger beroep in tegen de strafmaat.
In hoger beroep werd bewezen verklaard dat de verdachte samen met een ander op 18 januari 2022 wederrechtelijk op het besloten terrein verbleef door middel van inklimming. De verdediging voerde aan dat inklimming niet bewezen was, maar het hof achtte de verklaring van de verdachte geloofwaardig en verwierp dit verweer.
Het hof hanteerde als uitgangspunt een taakstraf van 90 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden voor first offenders bij overtreding van artikel 138aa Sr. Gezien het feit dat de verdachte het delict samen met een ander pleegde en door inklimming toegang verkreeg, werd de taakstraf verhoogd naar 120 uur. Vanwege een bijzondere omstandigheid, namelijk dat de verdachte opnieuw werd aangetroffen op een verboden terrein en in voorlopige hechtenis zat, werd de voorwaardelijke gevangenisstraf verhoogd naar 4 maanden met een locatieverbod voor het Europoortgebied en de Maasvlakte.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter, verklaarde de verdachte schuldig aan het bewezenverklaarde feit en legde de genoemde straf en bijzondere voorwaarden op. Het locatieverbod geldt gedurende drie jaar proeftijd en wordt gehandhaafd door opsporingsdiensten.
De straf weerspiegelt de ernst van het feit, de hinder en schade voor havenbedrijven, en de noodzaak herhaling te voorkomen.