5.2Schending van het verschoningsrecht
Vaststaat dat advocaten van het kantoor Stibbe, waaronder klager, tijdens en na de doorzoeking ten kantore van Box Consultants B.V. op 17 maart 2015 aan verdachten van dat kantoor rechtsbijstand hebben verleend en bij verhoren van verdachten en getuigen en bij de voorgeleiding voor de rechter-commissaris in die zaak aanwezig zijn geweest.
Voor zowel de FIOD, die die doorzoeking en de daarop volgende verhoren verrichtte, als voor het bij dat onderzoek betrokken openbaar ministerie, waaronder beklaagden, moet dan ook vanaf dat moment duidelijk zijn geweest dat advocaten van Stibbe, waaronder klager, de rechtsbijstand en de verdediging van Box Consultants B.V. voor hun rekening hadden genomen.
Onder die omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat, als een advocaat stelt dat de bij zijn cliënt of derde aangetroffen stukken onder zijn verschoningsrecht vallen, dit standpunt door politie en justitie moet worden eerbiedigd (en er dus door hen geen kennis kan worden genomen van deze stukken), tenzij dit standpunt evident onjuist is.
Het had naar het oordeel van het hof dan ook in de rede gelegen dat het openbaar ministerie op 4 september 2015, bij het doen van een vordering ex artikel 126ng Sv aan serviceprovider Winvision tot het verstrekken van alle e-mailberichten die op enigerlei wijze in verband staan met Boxconsultants.com, met het oog op de mogelijke aanwezigheid van e-mailberichten die onder het verschoningsrecht van advocaten van Stibbe zouden kunnen vallen, een beperking zou hebben opgenomen met betrekking tot het e-maildomein “stibbe.com”, hetgeen het openbaar ministerie niet heeft gedaan.
Op 1 december 2016 heeft in voormeld opsporingsonderzoek een doorzoeking ter inbeslagneming bij BDO plaatsgevonden. Daarbij zijn aan Box Consultants B.V. gerelateerde bescheiden en digitale bestanden in beslag genomen. De advocaten van Stibbe hebben zich tijdens de doorzoeking weer vruchteloos beroepen op het (van hen afgeleide) verschoningsrecht. Inderdaad bleek dat zich in de uitgeleverde informatie ook e-mailverkeer bevond van en aan advocaten van Stibbe, waaronder e-mailverkeer tussen klager en een accountant van BDO over een beoogd onderzoek dat BDO zou moeten verrichten.
Beklaagden waren van oordeel dat uit dat e-mailverkeer bleek dat de betreffende accountants van BDO misbruik maakten van het – van klager afgeleide – verschoningsrecht door in een opdracht van de Raad van Commissarissen van Box aan BDO tot het verrichten van een BDO-onderzoek door middel van het CC inkopiëren van klager de indruk te wekken dat die opdracht van klager afkomstig was en op die manier die opdracht onder het verschoningsrecht van klager te brengen. Om die reden hebben ze tegen de betrokken accountants een klacht bij de Accountantskamer ingediend, met gebruikmaking van de betreffende e-mailberichten.
Het hof oordeelt hierover als volgt. Vastgesteld is dat advocaten van Stibbe, waaronder klager, naar beklaagden bekend was al in een vroeg stadium – maart 2015 – bij de opdracht aan BDO betrokken waren en dat op dat moment van een feitelijke opdracht aan de Raad van Commissarissen nog geen sprake was. Het hof verwijst dienaangaande naar de door klager overgelegde – onherroepelijk geworden – beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 september 2018 betreffende voormeld onderzoek. De rechtbank heeft vastgesteld dat het inschakelen van BDO verband hield met de door Box aan de advocaten van Stibbe, waaronder klager, toevertrouwde kwestie omtrent de verdenking van valsheid in geschrift en witwassen. Daaruit kan, aldus de rechtbank, worden geconcludeerd dat BDO door de advocaten van Stibbe in het licht van een behoorlijke vervulling van hun taak als deskundigen werden ingeschakeld.
Onder die omstandigheden is het hof met klager van oordeel dat in elk geval de e-mailcommunicatie van en met klager zoals die door het openbaar ministerie als stukken van overtuiging aan de Accountantskamer zijn overgelegd, als geheimhouderstukken moeten worden aangemerkt waarop het verschoningsrecht van klager van toepassing is, nog daargelaten of de geheimhouder-officier, zoals klager concludeert in zijn brief aan het hof d.d. 28 augustus 2022, tot tweemaal toe zou hebben geoordeeld dat één van de stukken van overtuiging onder het verschoningsrecht viel en daarom vernietigd moest worden.
Dat sprake zou zijn van misbruik van verschoningsrecht, zoals beklaagden hebben gesteld, is het hof onvoldoende gebleken. Weliswaar zijn er bij de inbeslagneming bij BDO de nodige interne e-mailberichten aangetroffen waarop advocaten van het kantoor van klager in de CC zijn gezet, dan wel was daarop vermeld “opgesteld t.b.v. advocaat”, maar beklaagden waren sinds maart 2015 bekend met de betrokkenheid van klager c.s. als advocaat van BDO en diens cliënt Box Consultants B.V. Klager c.s. hebben daarna op meerdere momenten een beroep gedaan op hun verschoningsrecht, zonder dat beklaagden daarover het gesprek zijn aangegaan. Verder hebben opsporingsambtenaren vanaf maart 2015 zonder overleg met klager kennisgenomen van verschoningsgerechtigde informatie van en aan klager.
Eerst een half jaar na het verkrijgen van mogelijk geprivilegieerde gegevens bij Winvision B.V. is een selectie daarvan voorgelegd aan de geheimhouder-officier van justitie van het Functioneel Parket waarvan beklaagden deel uitmaakten. Diens aanvankelijke beslissing dat alle bestanden vernietigd dienden te worden werd niet opgevolgd, maar leidde tot een nieuwe selectie die uiteindelijk door hem akkoord werd bevonden. Het gebruiken van de bewuste e-mails ter onderbouwing van de klacht bij de Accountantskamer is weliswaar getoetst door de Helpdesk Privacy van het College van procureurs-generaal maar van een voorafgaande, onafhankelijke toetsing op het verschoningsgerechtigde karakter van de e-mails, bijvoorbeeld door de betrokken rechter-commissaris, is geen sprake geweest. Evenmin is hiervoor, zoals niet ongebruikelijk in een dergelijk geval, de tussenkomst van de deken van de Orde van Advocaten gezocht.