ECLI:NL:GHDHA:2023:2851
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak arrestantenverzorger wegens onvoldoende bewijs verkrachting arrestant
In deze strafzaak stond een arrestantenverzorger terecht wegens verkrachting en aanranding van een vrouwelijke arrestant in haar cel op een politiebureau in Rotterdam in augustus 2020. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, waarna het Openbaar Ministerie hoger beroep instelde met een eis van 20 maanden gevangenisstraf en een contactverbod.
Het hof heeft het dossier en de verklaringen van de aangeefster nauwkeurig onderzocht. Hoewel de verdachte meerdere keren de cel van de aangeefster betrad, bleken haar verklaringen op essentiële punten inconsistent en onjuist. Zo week haar beschrijving van het geslachtsdeel van de verdachte af van het forensisch rapport, en waren haar verklaringen over het al dan niet uitgetrokken zijn van haar slip tegenstrijdig. Bovendien ontbrak ondersteunend DNA-bewijs voor de zwaarste tenlasteleggingen.
De verdediging stelde dat de verklaringen van de aangeefster ongeloofwaardig waren en dat het dossier onvoldoende bewijs bevatte. Het hof oordeelde dat de inconsistenties de betrouwbaarheid van de verklaringen zodanig aantasten dat deze niet als bewijs kunnen dienen. Zonder deze verklaringen is er onvoldoende bewijs om de verdachte schuldig te achten. Daarom bevestigde het hof de vrijspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende betrouwbaar bewijs van verkrachting en aanranding.