Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 28 februari 2023
[de man]
[de vrouw] ,
Het geding
Het bestreden vonnis en de vordering in principaal hoger beroep
verklaarden:
Artikel 10
1. Deze overeenkomst eindigt:
(...)
(...)
2. Indien de relatie tussen partijen wordt beëindigd op initiatief van [de vrouw] , dan zal [de vrouw] dat doen met inachtneming van het in artikel 10, lid 1, sub b bepaalde en is zij verplicht in de aangetekende brief respectievelijk het deurwaardersexploot de reden op te geven die haar ertoe gebracht heeft om haar relatie met [de man] te beëindigen.
1. Indien de samenleving eindigt in verband met het in artikel 10 lid Pro b of lid c gemelde, is [de man] verplicht [de vrouw] een maandelijkse alimentatie te betalen, welke alimentatieverplichting bij niet-nakoming door [de man] door [de vrouw] rechtens afdwingbaar is. (...)
2. Ter zake van de in lid 1 van dit artikel gemelde alimentatie geldt het volgende:
(...)
3. Onverminderd het in lid 4 van dit artikel bepaalde, eindigt het recht op alimentatie/plicht tot het betalen van alimentatie:
(...)
4. Indien echter [de vrouw] in het in artikel 10 lid Pro b bedoelde geschrift een reden meldt, op grond waarvan – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geoordeeld – van [de man] niet verwacht kan worden dat hij de relatie voortzet (bijvoorbeeld een “nieuwe liefde”), zal [de man] desondanks aan [de vrouw] een bedrag uitkeren gedurende twee jaar vanaf de dag dat de relatie is beëindigd, met dien verstande dat de alimentatie te alleen tijde eindigt op de datum in lid 3 van dit artikel gemelde/bedoelde datum.
(...)
3.5. Toepassing van de zogenaamde Haviltexmaatstaf, de preambule daarbij als leidraad nemend, voert de rechtbank tot de conclusie dat partijen in artikel 11 van Pro de samenlevingsovereenkomst als hoofdregel zijn overeengekomen dat de man gehouden is tot uiterlijk 1 januari 2026 alimentatie aan de vrouw te betalen. Het vierde lid van dit artikel betreft een uitzondering op deze hoofdregel, in die zin dat partijen daarin hebben onderkend dat er redenen kunnen zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de man niet kan worden verwacht langer dan twee jaar alimentatie aan de vrouw te betalen. Als concreet voorbeeld van zo’n reden is expliciet ‘een nieuwe liefde’ benoemd. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat het hierbij gaat om een verliefdheid, liefde of relatie die bestond voor het einde van de relatie van partijen. De uitleg die de man aan artikel 11 geeft Pro, onder verwijzing naar zijn correspondentie met de notaris, dat de vrouw aanspraak heeft op partneralimentatie voor de duur van slechts twee jaar indien zij de relatie beëindigt, volgt niet uit de preambule en de tekst van het betreffende artikellid en wordt derhalve niet gevolgd.”
casu quo aan wie het “stuklopen” van de relatie in ernstige mate is te “te verwijten”zou zonder betekenis zijn, indien de regeling alléén afhankelijk moest zijn van het antwoord op de vraag op wiens initiatief de relatie werd beëindigd. Datzelfde geldt voor het feit dat de vrouw op grond van de overeenkomst verplicht was de reden van de beëindiging van de relatie aan de man in de aangetekende brief mede te delen. Als die reden geen verschil zou maken, omdat de alimentatie steeds beperkt zou zijn tot twee jaar indien de vrouw de relatie zou beëindigen, dan valt moeilijk in te zien waarom zij tot die officiële mededeling werd verplicht. Het is mogelijk dat het voorgaande de bedoeling van de man is geweest, maar dit is voor de vrouw onvoldoende kenbaar in de overeenkomst opgenomen. Zij hoefde dit niet te verwachten. Naar het oordeel van het hof volgt uit tekst van de preambule dat de beperking van de alimentatieduur alleen aan de orde is als de vrouw een ernstig verwijt gemaakt kan worden van het stuklopen van de relatie. Dit strookt ook met de inhoud van artikel 11, waarin als voorbeeld een nieuwe liefde wordt genoemd. De stelling van de man dat de alimentatieduur slechts afhankelijk was van de vraag of de vrouw de overeenkomst had opgezegd – ongeacht de reden – valt niet te rijmen met de inhoud van deze bepaling.