De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag waarin de echtscheiding tussen haar en de man is uitgesproken en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is aangehouden. Het hof oordeelt dat tegen de echtscheiding wel hoger beroep mogelijk is, maar niet tegen de tussenuitspraak omtrent de huwelijksgoederengemeenschap, waardoor de vrouw niet-ontvankelijk is in dat deel van haar hoger beroep.
Beide partijen zijn Nederlands en gehuwd in gemeenschap van goederen sinds 1983. De vrouw wenst dat het perceel in Suriname tot de gemeenschap wordt gerekend en de bankrekeningen niet, terwijl de man zich hiertegen verzet en aanvullende informatie verlangt. Het hof bevestigt dat de echtscheiding kan worden uitgesproken indien het huwelijk duurzaam is ontwricht.
De man stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, de vrouw betwist dit en beroept zich op haar geloofsovertuiging die echtscheiding verbiedt. Het hof oordeelt dat de duurzame ontwrichting is vastgesteld en dat de geloofsovertuiging geen beletsel vormt voor echtscheiding volgens vaste jurisprudentie. De kosten worden gecompenseerd en het hoger beroep wordt afgewezen voor zover het huwelijksvermogensrecht betreft.