Uitspraak
hierna ook te noemen: de betrokkene/de moeder,
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de onderbewindstelling en het mentorschap van een moeder noodzakelijk waren, nu zij een levenstestament had opgesteld en haar dochter een volmacht had om haar belangen te behartigen.
De kantonrechter had eerder onderbewindstelling en mentorschap ingesteld, maar de verzoekers gingen hiertegen in hoger beroep. Zij stelden dat de moeder haar belangen zelf kon behartigen en dat de benoeming van mede-bewindvoerders en mentoren onterecht was, mede omdat de moeder bezwaar had tegen bepaalde benoemingen.
Het hof stelde vast dat de moeder met het levenstestament en de volmacht aan haar dochter al voorzien had in de ondersteuning op financieel en niet-financieel gebied. Er was geen bewijs van misbruik van deze volmacht. De moeder wenste dat haar dochter haar belangen behartigde en was niet gehoord door de kantonrechter. Het hof vernietigde daarom de eerdere beschikking en wees de verzoeken tot onderbewindstelling en mentorschap af.
De verstoorde familieverhoudingen speelden een rol, maar rechtvaardigden geen beschermingsmaatregelen. De proceskosten werden in hoger beroep gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof vernietigt de onderbewindstelling en het mentorschap en wijst de verzoeken af wegens het bestaan van een levenstestament en volmacht.