Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de voorzitter van de raadkamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag. Dit verzoek werd behandeld na de uitspraak in de hoofdzaak, waardoor het verzoek als te laat werd beschouwd en niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast stelde verzoeker dat hij eerder, vóór de zitting van 28 september 2023, een wrakingsverzoek had ingediend, maar dit stuk is nooit aan de wrakingskamer overgelegd en was ook niet bekend bij zijn toenmalige advocaat.
De wrakingskamer heeft verzoeker meerdere malen verzocht het vermeende eerdere wrakingsverzoek alsnog te overleggen, maar dit is niet gebeurd. De kamer oordeelde dat een rechterlijke beslissing of de motivering daarvan geen grond voor wraking kan zijn, en dat het verzoek niet gemotiveerd was. Hierdoor kon het verzoek niet als een geldig wrakingsverzoek worden aangemerkt.
Uiteindelijk heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek zonder inhoudelijke behandeling niet-ontvankelijk verklaard en afgewezen. Een afschrift van deze beslissing is toegezonden aan verzoeker, de voorzitter en de advocaat-generaal.