De zaak betreft een hoger beroep over de vermogensrechtelijke afwikkeling van een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen tussen een man met Tunesische nationaliteit en een vrouw met Nederlandse nationaliteit, gehuwd sinds 2018. De vrouw exploiteerde al voor het huwelijk een eenmanszaak, waarvan de activa tot haar privévermogen behoren en niet in de gemeenschap vallen. De man is mede draagplichtig voor schulden ontstaan tijdens de gemeenschap.
De rechtbank had eerder de echtscheiding uitgesproken en de verdeling van de gemeenschap vastgesteld, waarbij onder meer de verkoop van een woning in Tunesië werd geregeld. De man stelde in hoger beroep dat hij de woning wilde behouden en verzocht om toedeling van de onderneming aan de vrouw tegen vergoeding, en wijziging van de zorgregeling voor hun minderjarige kind.
Het hof oordeelt dat de woning in Tunesië deel uitmaakt van de gemeenschap en wijst deze toe aan de man onder betaling van de helft van de waarde aan de vrouw. De auto wordt aan de vrouw toegewezen met een nominaal vergoedingsrecht voor haar privé-inbreng. De man is mede draagplichtig voor bepaalde leningen. Het verzoek tot vergoeding voor de onderneming wordt afgewezen omdat de inkomsten al ten bate van beiden zijn gekomen. De kinderalimentatie wordt verlaagd van €250 naar €136 per maand vanwege draagkrachtvermindering. De zorgregeling wordt aangepast tot omgang in het weekend, maar uitvoering wordt uitgesteld vanwege mediation en begeleidingstrajecten.
De beschikking wordt grotendeels bekrachtigd, met enkele wijzigingen in de verdeling en zorgregeling, en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.