De zaak betreft hoger beroep tegen een veroordeling voor witwassen van een grote hoeveelheid bitcoins en geld. In eerste aanleg werd verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in.
Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen vrijspraken in eerste aanleg, maar behandelde het hoger beroep tegen de veroordeling. De tenlastelegging betrof het verbergen, verhullen en gebruiken van bitcoins en geldbedragen waarvan verdachte en/of haar mededader(s) wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat deze uit enig misdrijf afkomstig waren.
De advocaat-generaal vorderde vernietiging van het vonnis en een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk. Het hof oordeelde echter dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat verdachte wetenschap had van de criminele herkomst van de gelden. Hoewel verdachte geld op een prepaid debetkaart gebruikte en opdrachten van een medeverdachte uitvoerde, was haar verklaring dat zij dacht dat het geld uit autohandel kwam niet ongeloofwaardig. Daarom sprak het hof verdachte vrij van het tenlastegelegde witwassen.