ECLI:NL:GHDHA:2023:2211
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging waardebepaling woning volgens Wet WOZ in hoger beroep
Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-één-kapwoning uit 1916 en maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van €1.177.000 vastgesteld voor het kalenderjaar 2021. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een waardematrix en vergelijkingsobjecten die qua locatie, type en bouwjaar voldoende vergelijkbaar zijn. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Tijdens de zitting betwistte belanghebbende onder meer het aantal aanbouwen en de wijze van waardebepaling, maar het Gerechtshof oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woning en vergelijkingsobjecten. Ook werd het verzoek om een separaat hoorverslag afgewezen omdat het verslag in de uitspraak op bezwaar voldeed.
Het Gerechtshof concludeerde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 17 lid 2 Wet Pro WOZ en benadrukt het belang van een systematische vergelijking met marktgegevens voor waardebepaling.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.