ECLI:NL:GHDHA:2023:2114
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing eenhoofdig gezag vader over in Polen verblijvende dochter
De zaak betreft een geschil tussen de vader en moeder over het ouderlijk gezag en de hoofdverblijfplaats van hun dochter, die sinds 2019 feitelijk in Polen woont bij de moeder. De vader verzocht om eenhoofdig gezag en lijfsdwang om de terugkeer van het kind naar Nederland af te dwingen. De moeder betwistte de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en stelde dat de gewone verblijfplaats van het kind in Polen ligt.
Het hof oordeelde dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige op het moment van het verzoek in maart 2022 in Nederland was, waardoor de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid heeft. De Poolse beslissingen in teruggeleidingsprocedures zijn voorlopig en niet bindend voor de gezagskwestie.
Op inhoudelijke gronden concludeerde het hof dat het niet in het belang van het kind is om het gezag aan de vader toe te wijzen, gezien het huidige contact en de situatie in Polen. Ook wees het hof het verzoek tot lijfsdwang af, omdat dit ingrijpend zou zijn voor het kind en het contactherstel in Polen wordt nagestreefd. De kosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag en lijfsdwang af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.