Deze zaak betreft een geschil tussen de zoon van de overleden moeder en de tweede echtgenoot van de moeder over de hoogte van het moederlijk erfdeel binnen de nalatenschap. De kantonrechter had het erfdeel vastgesteld op €639.098,25, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 oktober 2020, en de proceskosten gecompenseerd. De tweede echtgenoot ging in hoger beroep tegen deze beschikking.
In hoger beroep stelde de tweede echtgenoot dat de waardering van onroerende zaken en aandelen niet correct was vastgesteld en dat de wettelijke rente pas later verschuldigd zou zijn. Het hof oordeelde dat de waardering van de onroerende zaken niet op basis van de Successiewet maar op de economische waarde moest plaatsvinden. De kantonrechter had dit correct gedaan en de grieven van de tweede echtgenoot faalden. Wel stelde het hof vast dat de wettelijke rente pas vanaf 2 februari 2021 verschuldigd is, omdat de ingebrekestelling pas op 19 januari 2021 is gedaan.
Verder verwierp het hof het beroep op rechtsverwerking door de tweede echtgenoot, aangezien deze tijdig op zijn rechten heeft gehandeld en er geen bewijs was dat het erfdeel reeds was voldaan. De tweede echtgenoot werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof sprak de beschikking uit op 1 november 2023 en benadrukte het belang van een goede afwikkeling van het erfdeel in goed overleg.