ECLI:NL:GHDHA:2023:1887
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen geldleningsovereenkomst tussen voormalige partners, vordering afgewezen
Appellant en geïntimeerde hadden een affectieve relatie die in januari 2020 eindigde. Appellant stelde dat hij geld had geleend aan geïntimeerde door betalingen en schulden voor haar te voldoen, terwijl geïntimeerde dit als schenkingen bestempelde. Appellant vorderde terugbetaling, maar de kantonrechter wees deze af en veroordeelde appellant in de proceskosten.
In hoger beroep handhaafde het hof het oordeel van de rechtbank. Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat er een geldleningsovereenkomst tot stand was gekomen. De betalingen vonden plaats tijdens de relatie en betroffen ook schulden zoals schoolgeld, wat duidt op liberaliteit en niet op een lening.
Het hof overwoog dat geïntimeerde mocht vertrouwen op de schenking en dat appellant geen voorbehoud had gemaakt over terugbetaling. Gezien het geringe financiële belang en de aard van de vordering veroordeelde het hof appellant in de proceskosten en bekrachtigde het bestreden vonnis.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van appellant af en veroordeelt hem in de proceskosten.