ECLI:NL:GHDHA:2023:176
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Weigering vervangende toestemming verhuizing minderjarige en wijziging hoofdverblijfplaats
De moeder verzocht om vervangende toestemming om met haar minderjarige dochter te verhuizen naar een andere gemeente en haar daar op een school in te schrijven. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de moeder in hoger beroep ging. De vader verzocht het hof het verzoek af te wijzen en voor het geval de moeder zonder het kind verhuist, het hoofdverblijf van het kind aan hem toe te wijzen.
Het hof overwoog dat de moeder onvoldoende had onderbouwd dat er een objectieve noodzaak bestond voor de verhuizing. De moeder had onvoldoende aangetoond dat passende woonruimte in de huidige woonplaats niet te vinden was en dat de financiële situatie een verhuizing rechtvaardigde. Ook het argument van de partner van de moeder dat hij economisch gebonden is aan de nieuwe woonplaats werd niet overtuigend bevonden.
Het hof hechtte zwaar aan het belang van de minderjarige, die sterk geworteld is in haar huidige omgeving, een goede band heeft met beide ouders en niet wilde verhuizen. De grote afstand zou het contact met de vader ernstig beperken en het sociale leven van het kind negatief beïnvloeden. Het hof bekrachtigde daarom de bestreden beschikking en weigerde de vervangende toestemming.
Daarnaast bepaalde het hof dat indien de moeder zonder het kind verhuist, het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vader komt te liggen. Het hof adviseerde de ouders mediation te overwegen om in het belang van het kind tot een betere samenwerking te komen.
Uitkomst: Verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor verhuizing met de minderjarige wordt afgewezen; hoofdverblijf wijzigt naar vader indien moeder zonder kind verhuist.