Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer hoofdzaak : 200.305.806/01
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Den Haag
In deze zaak heeft raadsheer C.W.M. Lieverse een schriftelijk verzoek tot verschoning ingediend op grond van artikel 40 Rv Pro, omdat de dochter van een van de partijen als advocaat-stagiair werkzaam is bij hetzelfde advocatenkantoor waar hij leidinggevende is. De meervoudige kamer voor wrakings- en verschoningsverzoeken heeft het verzoek buiten zitting behandeld.
De beoordeling richtte zich op de vraag of er feiten of omstandigheden zijn die de rechterlijke onpartijdigheid kunnen schaden. De kamer overwoog dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er een zwaarwegende aanwijzing is voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees voor onpartijdigheid bij een partij bestaat.
Gezien de gegeven toelichting achtte de kamer de vrees voor onpartijdigheid van de raadsheer gerechtvaardigd, ongeacht diens persoonlijke instelling. Daarom werd het verzoek tot verschoning toegewezen. Een afschrift van de beslissing wordt aan alle betrokken partijen en rechters toegezonden.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van raadsheer Lieverse wordt toegewezen vanwege een gerechtvaardigde vrees voor onpartijdigheid.