Rechthebbende, geboren in 1963, was sinds 2016 onder bewind gesteld vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand. De onderbewindstelling werd ingesteld op zijn eigen verzoek. In eerste aanleg werd het verzoek van rechthebbende om het bewind op te heffen niet toegewezen, maar werd de bewindvoerder gewijzigd.
In hoger beroep verzoekt rechthebbende de onderbewindstelling op te heffen omdat de noodzaak daarvoor niet langer bestaat. De schulden zijn inmiddels afgelost en de dochter, de huidige bewindvoerder, verklaart dat de rechthebbende in staat is met enige begeleiding zijn financiën zelfstandig te beheren.
Het hof oordeelt dat de onderbewindstelling niet langer noodzakelijk is. De dochter is bereid haar vader te ondersteunen waar nodig. Daarom wordt het bewind met ingang van 1 augustus 2023 opgeheven, met de opdracht aan de bewindvoerder om binnen twee maanden eindrekening en verantwoording af te leggen. Tevens wordt de kantonrechter geïnformeerd voor doorhaling in het Centraal Curatele- en bewindregister.