Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
.
Gerechtshof Den Haag
De zaak betreft een hoger beroep tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, [minderjarige 1], die sinds 2021 in een pleeggezin verblijft na huiselijk geweld in het gezin. De moeder verzet zich tegen de verlenging en stelt dat zij inmiddels in staat is om haar kind een veilige en stabiele omgeving te bieden. De gecertificeerde instelling (GI) en de bijzondere curator pleiten voor verlenging, onder meer vanwege het gevoel van onveiligheid dat het kind nog ervaart en zijn duidelijke wens om bij de pleegouders te blijven.
Tijdens de zitting is gebleken dat het kind na intensieve therapie nog niet toe is aan terugkeer naar huis en dat hij zich goed ontwikkelt in het pleeggezin. Het hof weegt het belang van het kind en zijn uitdrukkelijke wens zwaar mee. Het hof oordeelt dat de verlenging noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind en dat de ouders het tempo van het kind moeten respecteren.
Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking van de kinderrechter die de machtiging tot uithuisplaatsing verlengde tot 17 september 2023. De beslissing is genomen met het oog op het welzijn en de ontwikkeling van het kind, waarbij het tempo van het kind leidend is en niet de wensen van de ouders.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 17 september 2023.