Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
In de zaak met nummer 200.303.996/01
In de zaak met nummer 200.304.062/01
In de zaak met nummer 200.303.996/01
In de zaak met nummer 200.304.062/01
- op 4 februari 2022 een V-formulier van 2 februari 2022 met bijlage;
- op 24 maart 2023 een e-mailbericht met bijlagen;
- op 28 maart 2023 een e-mailbericht met bijlagen;
- op 30 maart 2023 een e-mailbericht met bijlage.
Het geschil
Verzoeken in de zaak met nummer 200.303.996/01
bij het hof bekend onder zaaknummer 200.304.062/01)de eindbeschikking te vernietigen, des nodig onder aanvulling van de feiten en rechtsgronden, voor zover deze ziet op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de door de rechtbank gegeven beslissing dat de man aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 130.416,61 in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Verzoeken in de zaak met nummer 200.304.062/01
Oordeel hof
De voormalige echtelijke woning
€ 116.807,02 (de hypothecaire geldlening) en een bedrag van € 63.553,43 (door de man ten huwelijk aangebracht en in de woning geïnvesteerd privévermogen van de totale waarde van de woning (€ 268.373,25) afgetrokken, zodat een te verrekenen vermogen van € 88.012,80 resteert.
De waardering van de twee percelen grond te [plaats]
€ 9.000,- in beginsel een goed is dat in de verrekening kan worden betrokken, mits nog aanwezig op de peildatum. Het hof acht het onjuist de banksaldi met voormeld bedrag te verhogen. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat de man op de peildatum nog een vordering van
€ 9.000,- op (de erfgenamen van) zijn moeder had. Nu de grief van de man slaagt, zal het hof de gestelde vordering niet in de verrekening betrekken. De bestreden beschikkingen dienen in zoverre te worden vernietigd.
De vordering op [VOF]
12 november 2020 van de rechtbank Rotterdam waarnaar de vrouw verwijst, vast staat dat de vrouw de rechthebbende is van de vordering op [VOF] sinds 23 mei 2013. Vanaf die datum gelden de afspraken die de vrouw heeft gemaakt met de crediteuren. De grief van de man faalt derhalve zodat het hof de bestreden beschikkingen in zoverre zal bekrachtigen.
Conclusie ten aanzien van de verrekening
Proceskosten
€ 130.416,61 en, in zoverre opnieuw beschikkende: