ECLI:NL:GHDHA:2023:1011
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn WOZ-zaak
Belanghebbende, eigenaar van een woning, stelde bezwaar tegen de WOZ-waarde en de daarbij opgelegde aanslag onroerendezaakbelasting. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze afwijzing.
Het geschil concentreerde zich op de vraag of de redelijke termijn was overschreden en of vergoeding van immateriële schade terecht werd geweigerd. De Rechtbank had vastgesteld dat de termijn voor bezwaar en beroep gezamenlijk normaal gesproken twee jaar bedraagt, maar dat in deze zaak een verlenging van vier maanden gerechtvaardigd was vanwege de beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde van belanghebbende.
Het Hof onderschreef de overwegingen van de Rechtbank en wees erop dat de vertraging mede te wijten was aan de grote hoeveelheid zaken die de gemachtigde behartigde en diens beperkte beschikbaarheid. Het feit dat zittingen digitaal konden plaatsvinden, maakte geen verschil voor de zittingscapaciteit. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de afwijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.