ECLI:NL:GHDHA:2023:1009
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning en afwijzing vergoeding immateriële schade
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 2016 met een inhoud van circa 1.235 m3 en een perceel van ongeveer 985 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2019 vast op € 1.730.000, welke waarde en de daarop gebaseerde aanslag ongewijzigd bleven na bezwaar en beroep bij de Rechtbank Den Haag.
De Rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede op basis van een taxatierapport en vergelijkingsobjecten met marktgegevens. Het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, aangezien de rechtbank een verlenging van de termijn met vier maanden gerechtvaardigd achtte vanwege de drukke agenda van de gemachtigde.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof de oordelen van de Rechtbank over de waarde en de termijnoverschrijding. Het Hof wees de stellingen van belanghebbende af, waaronder de waardering van dakkapellen en de kwaliteit van vergelijkingsobjecten. Tevens rekende het Hof de vertraging toe aan de handelwijze van de gemachtigde, die veel zaken tegelijk behandelt en beperkte beschikbaarheid heeft. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade werd ook door het Hof afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde van de woning en wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.