ECLI:NL:GHDHA:2023:1006
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning en afwijzing vergoeding immateriële schade
Belanghebbende is eigenaar van een rijwoning uit 1979 en betwist de door de Heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €260.000 per 1 januari 2019. De Rechtbank Den Haag verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om immateriële schade af wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep handhaaft het Hof het oordeel van de Rechtbank. De waarde is vastgesteld via een systematische vergelijking met drie vergelijkingsobjecten, waarbij correcties zijn toegepast voor verschillen in objectkenmerken. De stelling van belanghebbende dat de waarde van een dakkapel hoger moet zijn dan de gehanteerde standaardwaarde wordt niet gevolgd, omdat bouwkosten niet één op één de waardevermeerdering bepalen.
Ook het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen. Het Hof oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn toe te schrijven is aan de drukke agenda van de gemachtigde van belanghebbende, die veel zaken tegelijk behandelt, en dat digitale zittingen geen verkorting van de redelijke termijn rechtvaardigen.
De uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €260.000 wordt bevestigd; het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.