Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
6.De beslissing
€ 559,-;
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of een opvolgend bewindvoerder recht heeft op een beloning voor aanvangswerkzaamheden. De kantonrechter had eerder beslist dat aan de opvolgend bewindvoerder geen vergoeding toekwam. De opvolgend bewindvoerder ging hiertegen in hoger beroep.
De rechtbank had overwogen dat bedrijfsbeëindiging door de voormalige bewindvoerder, die op eigen verzoek was ontslagen, geen uitzonderlijke omstandigheid vormde om af te wijken van het forfaitaire beloningssysteem. Het hof bevestigde dat uitgangspunt en wees op het wettelijke kader, waaronder artikel 3 lid 6 van Pro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, waarin slechts bij uitzonderlijke omstandigheden kan worden afgeweken van de forfaitaire vergoeding.
Het hof stelde vast dat de opvolgend bewindvoerder diverse aanvangswerkzaamheden had verricht, zoals het opmaken van een boedelbeschrijving en het opstellen van een plan van aanpak. Het hof oordeelde dat het forfaitaire bedrag van €559 daarvoor passend is en dat het feit dat de bedrijfsbeëindiging niet de keuze van de rechthebbende was, geen uitzonderlijke omstandigheid vormt. De bestreden beschikking werd vernietigd en het verzoek van de opvolgend bewindvoerder tot toekenning van de forfaitaire beloning werd alsnog toegewezen. Proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof kent de opvolgend bewindvoerder een forfaitaire beloning van €559 toe voor aanvangswerkzaamheden en vernietigt de eerdere beschikking die dit weigerde.