Deze zaak betreft een hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door hennepteelt. Na eerdere veroordelingen en een vernietiging door de Hoge Raad werd de zaak terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag.
Tijdens de zitting in hoger beroep is op initiatief van de verdediging een schikking getroffen tussen betrokkene en het openbaar ministerie. Deze schikking bepaalt dat betrokkene een bedrag van €25.000 aan de Staat betaalt, na verrekening van reeds betaalde bedragen voor terugkoop van inbeslaggenomen voertuigen.
Het hof vernietigt het eerdere vonnis en bekrachtigt de schikking, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op €33.250. Het hof benadrukt dat dit geen schikking in de zin van artikel 511c Sv betreft, maar een uitspraak conform gezamenlijk voorstel. De duur van gijzeling wordt vastgesteld op maximaal 500 dagen.
De uitspraak is gedaan door mr. B.P. de Boer, mr. W.A.G.J.W. Ferenschild en mr. J.J.H.M. van Gennip op 29 maart 2022.