ECLI:NL:GHDHA:2022:437
Gerechtshof Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheer-plaatsvervanger wegens vermeende partijdigheid
In deze zaak zijn twee procedures aanhangig tussen verzoeker en Nationale Nederlanden Personeel B.V. (NN). Verzoeker diende een verzoek tot verschoning in tegen het gehele hof, wat niet ontvankelijk werd verklaard omdat alleen rechters zelf een verschoningsverzoek kunnen indienen. Vervolgens diende verzoeker een wrakingsverzoek in, specifiek gericht tegen raadsheer-plaatsvervanger M.V. Ulrici, vanwege een vermeende schijn van partijdigheid door familiebanden en haar bejegening tijdens de zitting.
De wrakingskamer onderzocht de gronden van het verzoek. De familieband met een advocaat van een kantoor dat NN als cliënt heeft, werd niet als zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid gezien, mede omdat dat kantoor niet betrokken was bij de zaak. Ook de bejegening tijdens de zitting werd niet concreet onderbouwd en strookte met de verklaringen van de andere aanwezige advocaat en het proces-verbaal.
De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond en wees het wrakingsverzoek af. Tevens werd het verzoek tot verschoning en het wrakingsverzoek tegen het gehele hof niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing werd op 24 maart 2022 uitgesproken door de wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning is niet-ontvankelijk verklaard en het wrakingsverzoek tegen raadsheer-plaatsvervanger Ulrici is afgewezen.