ECLI:NL:GHDHA:2022:347

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
7 maart 2022
Publicatiedatum
7 maart 2022
Zaaknummer
22-000555-21
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 3 onder B Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij en ontnemingsverplichting

De zaak betreft een hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter Rotterdam waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij werd vastgesteld op €37.345,59. Het Openbaar Ministerie vorderde een hogere vaststelling van €39.044,20.

Het hof baseert zich op een rapport van 20 augustus 2013 waarin de opbrengst van de hennepkwekerij werd berekend op basis van 467 planten, met een kiloprijs van €3.280,- en aftrek van onkosten. Het hof gaat uit van ten minste één geslaagde oogst in de periode februari tot april 2013, waarbij de betrokkene zelf verklaarde dat in april werd geoogst.

De aanwezigheid van negen klapstoelen wijst op hulp van meerdere knippers, maar het hof acht aannemelijk dat het gehele voordeel, minus de beloning van de knippers, aan de betrokkene toekomt. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn wordt een korting van 5% toegepast, waardoor de ontnemingsverplichting wordt vastgesteld op €37.000.

Het hof vernietigt het eerdere vonnis en legt de betrokkene de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat. Tevens wordt de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 740 dagen. Mr. A.M. Hol kon het arrest niet ondertekenen.

Uitkomst: Betrokkene wordt veroordeeld tot betaling van €37.000 aan de Staat wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000555-21 PO
Parketnummer: 10-690250-13
Datum uitspraak: 28 februari 2022
VERSTEK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 19 november 2014 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
adres: [woonadres] te [woonplaats] (Bondsrepubliek Duitsland).
Procesgang
De in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid vijf, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 39.044,20 en dat aan de betrokkene ter ontneming hiervan de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
De politierechter in de rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 19 november 2014 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 37.345,59 en ter ontneming hiervan aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
De betrokkene is bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 28 februari 2022 – onder meer, voor zover hier van belang – veroordeeld ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 tenlastegelegde,
gekwalificeerd als
plegen en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Onderzoek van de zaak
Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel zal worden geschat wordt vastgesteld op € 39.044,74 en dat de betrokkene ter ontneming hiervan zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Beoordeling van het vonnis
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en vaststelling van de betalingsverplichting
Het hof grondt zijn overtuiging dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen op de inhoud van het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij (hierna: het rapport) d.d. 20 augustus 2013.
Uit het genoemde arrest in de strafzaak volgt dat de betrokkene in de periode van 1 februari 2013 tot en met
7 april 2013 in de aan hem toebehorende woning aan het [adres] in Rotterdam een hennepkwekerij heeft gehad. Bij de ontmanteling van die kwekerij zijn in totaal 467 potten met daarin (deels) resten van hennepplanten aangetroffen. Gelet op de bewezenverklaarde periode en de bevindingen van de politie bij het aantreffen van de (restanten van de) hennepkwekerij, zoals beschreven in de pagina’s 3 en 4 van voornoemd rapport, gaat het hof uit van (ten minste) 1 geslaagde oogst. De betrokkene heeft ook zelf verklaard dat in de eerste week van april 2013 is geoogst.
Overeenkomstig het rapport wordt de opbrengst geschat op 467 planten x 28,2 gram per plant x € 3.280,- (kiloprijs hennep) = € 43.164,80.
De onkosten worden geschat op € 300 (afschrijvingskosten voor 1 oogst) + € 2.886,06 (variabele kosten € 6,18 per plant) + € 934,- (kosten knippers € 2,- per plant) =
€ 4.120,06.
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel = € 43.164,80 - € 4.120,06 = € 39.044,20.
Gelet op de aanwezigheid van 9 klapstoelen in de woning acht het hof aannemelijk dat de betrokkene bij de oogst de hulp heeft gehad van veel knippers. Nu niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene de kwekerij met een ander of anderen heeft gedreven, gaat het hof ervan uit dat, afgezien van de beloning voor de knippers, hem het gehele bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel is toegekomen.
Het hof stelt verder vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de verstekmededeling van het vonnis van de politierechter niet binnen één jaar na dat vonnis rechtsgeldig aan de betrokkene is betekend. Ook zijn in de jaren daarna geen pogingen ondernomen om het vonnis aan de betrokkene te betekenen. Hiernaast wordt ook de onwenselijke lange duur van de procedure als geheel sinds het plegen van de feiten medio 2013 meegewogen.
Het hof zal vanwege deze overschrijding een korting van
5 % toepassen (zijnde € 1.952,21) en de betrokkene de verplichting opleggen een bedrag van(afgerond)
€ 37.000,00 aan de Staat te betalen.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
39.044,20 (negenendertigduizend vierenveertig euro en twintig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 37.000,00(zevenendertigduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 740 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk,
mr. H.C. Plugge en mr. A.M. Hol, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 februari 2022.
Mr. A.M. Hol is buiten staat dit arrest te ondertekenen.