ECLI:NL:GHDHA:2022:2887
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming gecertificeerde instelling tot voogd over minderjarige
De zaak betreft een hoger beroep van de Raad voor de Kinderbescherming tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag over een minderjarige werd afgewezen. De minderjarige verblijft sinds 2019 in een pleeggezin en de raad stelt dat de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing is verstreken en dat voortzetting van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet langer passend is.
De raad voert aan dat de ouders onvoldoende in staat zijn om zelfstandig gezagsbeslissingen te nemen en dat de moeder emotioneel druk uitoefent op de minderjarige. De gecertificeerde instelling bevestigt de complexe problematiek van de minderjarige en de noodzaak van gespecialiseerde begeleiding. De vader stemt in met het verblijf bij de pleegouders, maar de moeder wenst terugplaatsing.
Het hof oordeelt dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag is voldaan, mede gelet op artikel 1:266 BW Pro en artikel 8 EVRM Pro. De minderjarige heeft behoefte aan duidelijkheid en stabiliteit, en het perspectief op terugplaatsing ontbreekt. Het gezag wordt beëindigd en de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het gerechtshof beëindigt het ouderlijk gezag over de minderjarige en benoemt de gecertificeerde instelling tot voogd.