ECLI:NL:GHDHA:2022:2756
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep teruggeleiding kinderen naar Oman na internationale ontvoering
Deze zaak betreft de teruggeleiding van vier minderjarige kinderen vanuit Nederland naar Oman, na een geschil tussen de ouders over de gewone verblijfplaats en de rechtmatigheid van het verblijf in Nederland.
De moeder betoogde dat het gezin de intentie had zich definitief in Nederland te vestigen en dat terugkeer naar Oman de kinderen in een ondragelijke toestand zou brengen, onder meer vanwege haar gebrek aan verblijfsrecht in Oman. De vader stelde dat de gewone verblijfplaats van de kinderen Oman is gebleven en dat de moeder de kinderen ongeoorloofd achterhoudt.
Het hof oordeelde dat de gewone verblijfplaats van de kinderen niet naar Nederland was verplaatst, mede omdat sprake was van een proefperiode en onvoldoende tastbare maatregelen voor een definitieve vestiging. De moeder slaagde er niet in de weigeringsgronden van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) aan te tonen, waaronder het risico op ondragelijke toestand of het verzet van de kinderen met voldoende rijpheid.
Het hof concludeerde dat de terugkeer naar Oman niet in strijd is met fundamentele mensenrechten en dat het belang van de kinderen geen reden vormt om de teruggeleiding te weigeren. Het hoger beroep van de moeder werd afgewezen, de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en de moeder werd bevolen de kinderen uiterlijk 16 januari 2023 terug te brengen naar Oman. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de moeder af en gelast de terugkeer van de kinderen naar Oman uiterlijk 16 januari 2023.