ECLI:NL:GHDHA:2022:2573
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na vergelijking met vergelijkingsobjecten
Belanghebbende is eigenaar van een rijwoning met aanbouw en dakopbouw, waarvan de WOZ-waarde voor het jaar 2020 is vastgesteld op €299.000. Hij betwist deze waarde en stelt dat de waarde te hoog is vastgesteld.
De Heffingsambtenaar heeft de waarde bepaald door systematische vergelijking met drie vergelijkbare woningen die rond de waardepeildatum zijn verkocht. Deze vergelijkingsobjecten zijn qua bouwjaar, inhoud, ligging en staat van onderhoud goed vergelijkbaar met de woning. De verschillen, zoals de aanwezigheid van een dakopbouw en aanbouw, zijn apart gewaardeerd. De rechtbank en het hof oordelen dat de Heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met deze verschillen.
Belanghebbende heeft verkooptransacties van twee andere woningen aangevoerd die beter vergelijkbaar zouden zijn, maar deze transacties vonden meer dan een jaar na de waardepeildatum plaats en zijn daarom minder geschikt als vergelijkingsobjecten. Tevens is het strategisch kiezen van vergelijkingsobjecten door de Heffingsambtenaar toegestaan.
De stelling dat de hoorplicht is geschonden wordt verworpen omdat een hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Ook de klacht over te late inzage in de raming van baten en lasten van de rioolheffing faalt omdat deze raming niet is overgelegd en de rioolheffing niet ter discussie stond.
Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.