ECLI:NL:GHDHA:2022:2409
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwikkeling negatieve huwelijksgemeenschap en verdeling schulden en aanspraken na echtscheiding
Partijen zijn in 1983 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en hebben in 2017 hun huwelijk ontbonden, waarbij een gestolde gemeenschap ontstond. De rechtbank had de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld, waarbij onder meer bankrekeningen, lijfrenteverzekeringen en schulden werden verdeeld.
De vrouw kwam in hoger beroep tegen de beschikking, met verzoeken om aanvullende informatie over de lijfrentepolis en de ontslagvergoeding van de man, alsmede inzage in financiële stukken. De man stelde zich hiertegen en stelde een incidenteel hoger beroep in met regresvorderingen tegen de vrouw.
Het hof oordeelde dat de vrouw reeds voldoende informatie had om de omvang van de gemeenschap vast te stellen en dat haar verzoeken om aanvullende informatie en toepassing van artikel 843a Rv niet gegrond waren. De verdeling van de lijfrentepolis was reeds vastgesteld en de vrouw had geen belang meer bij haar vordering.
De aanspraak op de ontslagvergoeding werd besproken, waarbij het hof vaststelde dat de man geen deugdelijke grondslag had voor zijn vorderingen jegens de vrouw. Leningen van de stamrecht BV werden als gemeenschapsschuld beschouwd, waarbij fiscale gevolgen voor rekening van partijen zijn. Ook de regresvorderingen van de man wegens schulden aan derden werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs.
Het hof benadrukte de zorgelijke financiële positie van partijen en adviseerde gezamenlijk een oplossing te zoeken. De bestreden beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd en het meer of anders verzochte werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst de aanvullende vorderingen en regresclaims af.