In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2020 herzien. Verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen als gewoonte en meermalen valsheid in geschrift. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op ruim €1 miljoen en de ontnemingsverplichting op de helft daarvan.
Het hof stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €888.155,90 over de jaren 2012 tot en met 2016, waarbij rekening werd gehouden met een verdeling van het voordeel met een medeverdachte. De verdediging voerde aan dat hogere loonkosten het voordeel zouden verminderen, maar dit werd niet aannemelijk geacht.
Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en legde een betalingsverplichting op aan verdachte van €444.077,95 aan de Staat. Tevens werd de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 1080 dagen. De uitspraak werd gedaan op 8 november 2022 door het hof in Den Haag.