De zaak betreft het hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter Rotterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor bedreiging, maar vrijgesproken voor een ander feit. Het hof oordeelt dat het niet wettig en overtuigend is bewezen dat de bedreiging op of omstreeks 19 juli 2018 is voltooid, omdat het slachtoffer pas in augustus 2018 kennisnam van de bedreigende brief.
De advocaat-generaal had gevorderd dat het vonnis zou worden vernietigd en verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, maar het hof volgt dit niet. Omdat de bedreiging niet op de tenlastegelegde datum kon worden vastgesteld, spreekt het hof verdachte vrij van deze bedreiging.
De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer wordt afgewezen omdat de tenlastelegging niet bewezen is. De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op eerdere vrijspraken. De kostenveroordeling aan het adres van de benadeelde partij wordt vastgesteld op nihil.
Het arrest is gewezen door drie rechters en uitgesproken op 8 november 2022 door het Gerechtshof Den Haag.