Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep tegen de vrijspraak van verdachte door de politierechter wegens het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met een waterkoker.
De verdachte gooide op 7 april 2019 in een café een waterkoker naar het slachtoffer, die hierdoor eerste- en tweedegraads brandwonden opliep. De verdachte wist volgens het hof wel dat zij een waterkoker gooide, maar niet dat deze kokend of heel heet water bevatte.
De advocaat-generaal vorderde vernietiging van het vonnis en een taakstraf voor de verdachte, maar het hof oordeelde dat het ontbreken van wetenschap of vermoeden over het hete water betekent dat opzet ontbreekt. Ook is niet vastgesteld dat het slachtoffer daadwerkelijk door de waterkoker werd geraakt.
Daarom sprak het hof de verdachte vrij van alle tenlasteleggingen. De schadevordering van het slachtoffer werd niet meer behandeld omdat deze niet was gehandhaafd in hoger beroep.
Het arrest werd uitgesproken op 17 november 2022 door een meervoudige kamer van het gerechtshof Den Haag.