Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 3 november 2022
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Uitdeling
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende en haar fiscale partner [A] zijn aandeelhouders in een structuur waarbij de Limited een lening had verstrekt aan [A]. In 2012 heeft de Limited een deel van deze lening kwijtgescholden, wat door de Inspecteur werd aangemerkt als een uitdeling van winst aan de partner. De Inspecteur rekende de helft van dit bedrag toe aan belanghebbende als inkomen uit aanmerkelijk belang.
De Rechtbank oordeelde dat de kwijtschelding inderdaad een uitdeling van winst was en dat de partner zich hiervan bewust moest zijn geweest. Het Hof bevestigt dit oordeel en stelt dat het niet vereist is dat belanghebbende zelf zich bewust was van de uitdeling aan haar partner. De toerekening geschiedt op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001, waarbij het inkomen uit aanmerkelijk belang als gemeenschappelijk inkomensbestanddeel geldt en gelijkelijk wordt verdeeld.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Ook de belastingrente is correct vastgesteld. Het Hof veroordeelt partijen niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.